Pensioenen
5.1 Communicatie
Onze communicatie is erop gericht om de zelfredzaamheid van onze deelnemers te vergroten. Daarnaast werken we aan een goede relatie met deelnemers en werkgevers, door het vertrouwen in ons pensioenfonds te versterken. Om deze ambities te realiseren, hebben we in 2022 weer diverse communicatieactiviteiten uitgevoerd.
Nieuw pensioenstelsel
Ten behoeve van het nieuwe pensioencontract is een separaat communicatieplan opgesteld voor de belangrijkste communicatiemomenten. Het doel is om deelnemers en werkgevers tijdig en transparant te informeren over de veranderingen. Tevens is samen met Pensioenfonds Zoetwaren een risicopreferentieonderzoek uitgevoerd om de risicohouding van deelnemers in kaart te brengen. Om een zo hoog mogelijke respons te krijgen, is een activerende campagne ingezet met segmentatie naar verschillende leeftijden. De inzichten uit dit onderzoek vormen belangrijke input om het beleggingsbeleid aan te laten sluiten op de risicopreferentie van onze deelnemers.
Persoonlijke keuzebegeleiding
Vanuit de Wet toekomst pensioenen wordt adequate keuzebegeleiding rondom pensionering verplicht. Bovendien komt daar de nieuwe keuzemogelijkheid bij om op pensioendatum een bedrag ineens op te nemen. In 2022 zijn hier voorbereidingen voor getroffen, onder meer in de online pensioenplanner en bij de pensioendesk. Door vertraging in de betreffende wetgeving is de implementatie uitgesteld naar 2023.
Digitale Dienstverlening Deelnemers
Er is een nieuw online portaal ingericht: Digitale Dienstverlening Deelnemers. Op deze website staan gebruiksvriendelijkheid en heldere, activerende informatievoorziening centraal. Deelnemers kunnen hier de meest voorkomende taken uitvoeren die zij nodig hebben om zelfredzaam te zijn. Voor werkgevers was een dergelijk portaal al eerder beschikbaar.
Online videogesprekken
Sinds 2021 bieden we met succes online videogesprekken aan. Deze gesprekken helpen deelnemers aantoonbaar om het inzicht in hun persoonlijke pensioensituatie en keuzes te vergroten. Daarom zijn de videogesprekken in 2022 voortgezet met de intentie om deze door te ontwikkelen tot een structurele dienstverlening.
Inzet van de pensioenconsulent
Onze pensioenconsulent helpt om pensioen begrijpelijk en inzichtelijk te maken voor werknemers en werkgevers (HR-medewerkers). Dit gebeurt door middel van pensioenbijeenkomsten op locatie en persoonlijke gesprekken met werknemers. De afgelopen twee jaar was dit door COVID-19 slechts beperkt mogelijk, maar in 2022 hebben met name de grotere werkgevers weer goed gebruikgemaakt van deze dienstverlening. Via de brancheorganisaties is de pensioenconsulent extra onder de aandacht gebracht.
Activerende campagnes rondom pensioen
In 2022 hebben we naast onze reguliere pensioencommunicatie weer diverse activerende, doelgroepgerichte campagnes ingezet om deelnemers actief aan de slag te laten gaan met hun pensioen. Het doel is om zo hun inzicht en zelfredzaamheid te vergroten. We hebben wederom meegedaan aan de landelijke Pensioen3daagse van ‘Wijzer in geldzaken’. Het thema was ook dit keer ‘Later goed geregeld? Check het nu!’. De campagne activeerde deelnemers in de leeftijd 36-57 jaar om de website Mijnpensioenoverzicht.nl te bezoeken. Daarnaast hebben we speciale campagnes ingezet voor jongeren (25-35 jaar) en deelnemers die de pensioenleeftijd naderen (58 jaar en ouder). Tot slot hebben we de nieuwe werkgeverscampagne ‘Mijn werknemer gaat met pensioen’ uitgerold. Hiermee activeren en faciliteren we werkgevers om met medewerkers in gesprek te gaan over hun naderende pensioen.
Vooruitblik 2023
Ons strategisch communicatiebeleid heeft geen vastgesteld eindpunt en biedt daarmee ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten op basis van actualiteiten en onderzoeksresultaten. Onze ambities blijven in de basis gelijk:
- Onze deelnemers en werkgevers hebben een sterke relatie met het pensioenfonds. Dit realiseren we door te bouwen aan vertrouwen, maar ook door de (digitale) bereikbaarheid verder te vergroten.
- Onze deelnemers zijn zelfredzaam: ze hebben inzicht in hun pensioen en komen in actie als dat nodig is. Onze communicatieacties gaan daarom verder dan alleen informeren: ze hebben tot doel om deelnemers te activeren om met hun pensioen aan de slag te gaan.
- Onze werkgevers zijn zelfredzaam: ze hebben inzicht in de pensioenregeling en weten wanneer zij of hun werknemers in actie moeten komen. Lang niet alle werkgevers hebben de tijd om zich te verdiepen in pensioen. Voor deze werkgevers is het vooral belangrijk dat we ze ontzorgen door de juiste middelen aan te reiken.
- Uitvoering van het communicatieplan Wet toekomst pensioenen.
- Communicatie over het voorgenomen samengaan met Pensioenfonds Zoetwaren.
- Keuzebegeleiding rondom pensionering en de nieuwe keuze ‘bedrag ineens’.
- Continuering van videogesprekken en inzet pensioenconsulent.
- Activerende, doelgroepgerichte campagnes rondom thema’s als: pensionering, nieuw in dienst, nu iets doen voor je pensioen en digitale bereikbaarheid.
Om hier invulling aan te geven stellen we jaarlijks een communicatiejaarkalender op met de projecten voor het betreffende jaar. Belangrijke speerpunten voor 2023 zijn:
- Uitvoering van het communicatieplan Wet toekomst pensioenen.
- Communicatie over het voorgenomen samengaan met Pensioenfonds Zoetwaren.
- Keuzebegeleiding rondom pensionering en de nieuwe keuze ‘bedrag ineens’.
- Continuering van videogesprekken en inzet pensioenconsulent.
- Activerende, doelgroepgerichte campagnes rondom thema’s als: pensionering, nieuw in dienst, nu iets doen voor je pensioen en digitale bereikbaarheid.
- Uitvoering van een kwantitatief tevredenheidsonderzoek onder deelnemers en werkgevers.
5.2 Uitvoeringskosten
Het pensioenfonds maakt voor het uitvoeren van de pensioenregeling diverse kosten. Deze worden onderverdeeld in kosten voor de pensioenuitvoering en kosten voor vermogensbeheer. Het Bestuur vindt het belangrijk transparant te zijn over deze kosten. De kosten worden gepresenteerd met inachtneming van de aanbevelingen van de Pensioenfederatie en AFM. Hieronder volgt een totaaloverzicht van de ratio’s zoals aanbevolen door de Pensioenfederatie.
| 2022 | 2021 | |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | ||
| (in euro per deelnemer) | 143 | 131 |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | ||
| (in euro per deelnemer inclusief slapers) | 54 | 49 |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | ||
| (als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,19% | 0,15% |
| Directe Vermogensbeheerkosten | ||
| (als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,17% | 0,15% |
| Indirecte Vermogensbeheerkosten | 0,13% | 0,50% |
| (als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) (beleggingsfondsen/schatting) | ||
| Totaal van directe en indirecte kosten vermogensbeheer | 0,30% | 0,65% |
| Transactiekosten | 0,12% | 0,12% |
| (als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) (schatting) | ||
| Totaal kosten vermogensbeheer | 0,42% | 0,77% |
| Totaal kostenratio uitvoeringskosten en kosten vermogensbeheer als % van het gemiddeld belegd vermogen (exclusief transactiekosten) | 0,49% | 0,80% |
| (bedragen x € 1.000) | 2022 | 2021 |
|---|---|---|
| Pensioenuitvoeringskosten conform jaarrekening (incl. algemene kosten) |
9.290 | 8.349 |
| Waarvan algemene kosten | 1.890 | 1.598 |
| Pensioenuitvoeringskosten excl. algemene kosten | 7.400 | 6.751 |
| Verdeelsleutel voor de algemene kosten: | ||
| Pensioenbeheer | 53,30% | 51,20% |
| Vermogensbeheer | 46,70% | 48,80% |
| Derhalve: | ||
| Algemene kosten toe te rekenen aan pensioenbeheer | 1.008 | 818 |
| Algemene kosten toe te rekenen aan vermogensbeheer | 882 | 780 |
| Kosten pensioenbeheer excl. algemene kosten | 7.400 | 6.751 |
| Toerekening algemene kosten | 1.008 | 818 |
| Totaal kosten pensioenbeheer na toerekening algemene kosten | 8.408 | 7.569 |
| / Aantal actieven en gepensioneerden | 58.682 | 57.749 |
| = Uitvoeringskosten per deelnemer (in euro per deelnemer) | 143 | 131 |
| Kosten vermogensbeheer conform jaarrekening | 6.475 | 6.434 |
| Toerekening algemene kosten aan kosten vermogensbeheer | 882 | 780 |
| Kosten vermogensbeheer na toerekening algemene kosten | 7.357 | 7.214 |
| / Gemiddeld belegd vermogen | 4.457.112 | 4.920.095 |
| = Directe vermogensbeheerkosten | 0,17% | 0,15% |
Toerekening algemene kosten
De algemene kosten betreffen kosten die niet direct toegerekend kunnen worden aan de pensioenuitvoering of vermogensbeheer. Deze kosten betreffen kosten voor Bestuur en commissies, externe adviseurs en toezichthouders. De algemene kosten worden verdeeld over pensioenuitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten. De verhouding van deze verdeling is het percentage van pensioenuitvoeringskosten ten opzichte van de vermogensbeheerkosten. Deze toerekening van kosten is niet in de jaarrekening van toepassing. In de jaarrekening worden al deze toegerekende kosten onder pensioenuitvoeringskosten verantwoord.
Uitvoeringskosten pensioenbeheer
Deze kosten betreffen de integrale kosten van pensioenuitvoering door TKP. Verder bestaan de kosten van pensioenbeheer uit communicatiekosten en toegerekende algemene kosten. De pensioenuitvoeringskosten worden gerapporteerd in euro’s per deelnemer, waarbij het aantal deelnemers de som is van het aantal actieve deelnemers en gepensioneerden. De onderstaande aantallen zijn hierbij gebruikt:
Deelnemersaantallen
| Aantallen natuurlijke personen ultimo: | 2022 | 2021 |
|---|---|---|
| Actieven | 34.526 | 34.046 |
| Gepensioneerden | 24.156 | 23.703 |
| Slapers | 97.955 | 95.529 |
Toelichting op de uitvoeringskosten per deelnemer
De uitvoeringskosten pensioenbeheer per deelnemer zijn ten opzichte van 2021 met € 12 gestegen. Hieraan liggen de volgende oorzaken ten grondslag:
De pensioenuitvoeringskosten liggen in 2022 met € 9.290 duizend hoger dan in 2021 toen het bedrag nog € 8.349 duizend was.
De toename bestaat voor € 533 duizend uit kosten die samenhangen met de invoering van de Wet toekomst pensioenen. Deze drukken hun stempel op de uitvoeringskosten per deelnemer. Indien deze kosten buiten beschouwing worden gelaten, zouden de kosten per deelnemer op € 134 uitkomen. Dit is een stijging van € 3 per deelnemer, hetgeen lager is dan de prijspeilontwikkeling.
De verhouding tussen de pensioenuitvoeringskosten en de kosten van vermogensbeheer ligt dit jaar hoger dan vorig jaar. In 2022 is het percentage van de algemene kosten dat wordt toegerekend aan de uitvoeringskosten 53,3%. In 2021 was dit 51,2%. Hierdoor worden naar verhouding meer kosten doorbelast aan de kosten van de pensioenuitvoeringskosten. Ook hierdoor nemen de uitvoeringskosten per deelnemer toe.
Overige effecten hebben juist een dempend effect op de ontwikkeling van de kosten per deelnemer. De verhouding in deelnemersaantallen heeft juist een gunstig effect op de kosten per deelnemer. Ultimo 2022 is het totaal van actieve en gepensioneerde deelnemers met 1,6% toegenomen naar 58.682. Ultimo 2021 bedroeg het totaal 57.749 actieve en gepensioneerde deelnemers. Door deze toename wordt de stijging van de kosten per deelnemer met € 3 gedempt.
De uitvoeringskosten pensioenbeheer hangen tevens samen het afgesproken serviceniveau. Het pensioenfonds biedt een volledig pakket diensten aan de deelnemers aan, inclusief de diensten van een pensioenplanner en van een pensioenconsulent.
Het pensioenfonds heeft in 2022 wederom deelgenomen aan het Bell benchmarkonderzoek. Dit onafhankelijke onderzoek geeft inzicht in de in 2021 gemaakte uitvoeringskosten en het gerealiseerd rendement, in vergelijking tot pensioenfondsen van gelijke omvang. Uit dit onderzoek onder 33 pensioenfondsen van vergelijkbare omvang blijkt dat in 2021 een gemiddelde (over de jaren 2019-2021) lieten zien van € 162 waarbij 27 fondsen hogere kosten hadden en 5 fondsen lagere kosten. Het fonds steekt met € 143 daarbij gunstig af.
Oordeel Bestuur over de pensioenuitvoeringskosten per deelnemer
De ambitie van het fonds is om de kosten maximaal met 0,5% per jaar te laten stijgen. In 2022 kan deze ambitie niet waargemaakt worden. De stijging dit jaar van 9,2% vindt met name zijn oorsprong in de kosten die samenhangen met de Wet toekomst pensioenen. In totaal heeft het pensioenfonds daar in 2022 € 533 duizend aan besteed. Indien ter vergelijking van de cijfers deze onvermijdelijke investering buiten beschouwing wordt gelaten zou het bedrag per deelnemer uitkomen op € 134 en een stijging laten zien van € 3 wat overeenkomst met 2,2%. Ook dit percentage is nog steeds boven de 0,5%. Mede in het licht van inflatie is de ambitie om de kosten met maximaal tot 50% van de CPI-inflatie-index te beperken.
Uitvoeringskosten vermogensbeheer
De directe kosten vermogensbeheer worden gerapporteerd als percentage van het gemiddeld belegd vermogen. Het betreft die kosten waaraan een factuur ten grondslag ligt en waarvan de waarde aansluit bij de staat van baten en lasten van de jaarrekening. Voor de bepaling van het gemiddeld belegd vermogen zijn de aanbevelingen van de Pensioenfederatie gevolgd.
De indirecte kosten vermogensbeheer worden weergegeven als percentage van het gemiddeld belegd vermogen.
De (geschatte) transactiekosten worden gerapporteerd als percentage van het gemiddeld belegd vermogen (conform aanbevelingen van de Pensioenfederatie).
Indien werkelijke cijfers niet beschikbaar waren over de transactiekosten voor beleggingen in aandelenfondsen, is gewerkt volgens de aanbevelingen van de Pensioenfederatie.
De totale kosten vermogensbeheer bedroegen in 2022 € 17.619 duizend (2021: € 32.270 duizend).
| Kosten vermogensbeheer (bedragen x € 1.000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2022 | Beheer- kosten |
Performance gerelateerde kosten | Transactie- kosten |
Overige vermogens-beheerkosten | Totaal |
| Kosten per beleggingscategorie | |||||
| Vastgoed | 1.775 | 31 | 0 | 1.806 | |
| Vastrentende waarden | 5.092 | 1.280 | 6.372 | ||
| Aandelen | 7.205 | -3.865 | 2.719 | 6.059 | |
| Derivaten | 237 | 1.234 | 1.471 | ||
| Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën | 14.309 | -3.834 | 5.233 | 0 | 15.708 |
| Overige vermogensbeheerkosten | |||||
| Kosten fiduciair beheer | 1.302 | 1.302 | |||
| Overige vermogensbeheer | 609 | 609 | |||
| Totaal overige kosten vermogensbeheer | 1.302 | 609 | 1.911 | ||
| Totaal kosten vermogensbeheer | 15.611 | -3.834 | 5.233 | 609 | 17.619 |
| Kosten vermogensbeheer (bedragen x € 1.000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2021 | Beheer- kosten |
Performance gerelateerde kosten | Transactie- kosten |
Overige vermogens-beheerkosten | Totaal |
| Kosten per beleggingscategorie | |||||
| Vastgoed | 1.045 | 95 | 0 | 1.140 | |
| Vastrentende waarden | 5.014 | 0 | 2.204 | 7.218 | |
| Aandelen | 6.329 | 14.670 | 3.620 | 24.619 | |
| Derivaten | 273 | 0 | 134 | 407 | |
| Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën | 12.661 | 14.765 | 5.958 | 0 | 33.384 |
| Overige vermogensbeheerkosten | |||||
| Kosten fiduciair beheer | 1.276 | 1.276 | |||
| Overige vermogensbeheer | 0 | 2.610 | 2.610 | ||
| Totaal overige kosten vermogensbeheer | 1.276 | 2.610 | 3.886 | ||
| Totaal kosten vermogensbeheer | 13.937 | 14.765 | 5.958 | 2.610 | 37.270 |
Toelichting op de totale kosten vermogensbeheer
De afname van de totale kosten vermogensbeheer naar € 17.619 duizend (2021: € 32.270 duizend) heeft als hoofdoorzaak de volgende reden.
In 2021 was het rendement op private equity aanzienlijk. Vanwege het uitzonderlijke rendement werd daarop een performance fee in rekening gebracht van € 14.670 duizend. In 2022 zien we juist rebates van € 3.865 duizend.
Uit het onafhankelijk LCP-benchmarkonderzoek blijkt dat de vermogensbeheerkosten bij het fonds naar verhouding hoger liggen dan bij pensioenfondsen van een vergelijkbare omvang.
Oordeel Bestuur over de kosten van vermogensbeheer
Het meetkundig gewogen gemiddeld 5-jaars rendement (2017-2021) van de peergroup is gelijk aan 7,4% bij 0,51% kosten (inclusief transactiekosten). Bij het fonds was dat over dezelfde periode 6,3% rendement bij 0,53%. Deze kosten hangen nauw samen met de door het Bestuur gekozen beleggingscategorieën (meer actief dan passief), de mate van renteafdekking en het (relatief beperktere) risico dat daarbij wordt gelopen en zijn daarom in theorie niet één op één met andere pensioenfondsen te vergelijken. Toch geeft de kostenbenchmark van LCP een goede indicatie dat deze kosten in lijn liggen met vergelijkbare pensioenfondsen met een omvang en assetmix vergelijkbaar met die van het fonds indien deze aanvullende criteria worden meegenomen. Het Bestuur vindt de kosten acceptabel.
Nieuw: totaal kostenratio
De pensioenfederatie heeft in haar ledenmail van 20 december 2022 een nieuw ratio geïntroduceerd. De Pensioenfederatie beveelt aan om, naast de bestaande (wettelijke) kengetallen met betrekking tot de uitvoeringskosten, een zogenaamde “totale kostenratio” op te nemen in het jaarverslag. Dit geeft een totaalinzicht in alle kosten van het beheer van een pensioenfonds, exclusief transactiekosten, als percentage van het belegd vermogen. Hiermee wordt duidelijk welke impact deze kosten hebben op het opgebouwde (pensioen)vermogen Het kengetal dient als aanvullende, maar tevens belangrijkste graadmeter voor de beoordeling van de kosten van het pensioenfonds. Het percentage heeft het fonds conform de aanbevelingen van de Pensioenfederatie opgenomen. Het fonds plaatst hier echter wel een kanttekening bij. In de definitie die de pensioenfederatie voorschrijft wordt voorbij gegaan aan het effect van performance fees binnen het onderdeel vermogensbeheer. In 2022 bedroeg de totaal kostenratio 0,49% terwijl dit in 2021 nog 0,80% was. De afname wordt veroorzaakt doordat 2022 een slecht beleggingsjaar met negatieve performance fees was. Indien de performance fees net als de transactiekosten buiten beschouwing gelaten worden, ontstaat een betere vergelijking, namelijk 0,53% in 2022 ten opzichte van 0,51% in 2021.
5.3 Pensioenregeling
Pensioenregeling
De inhoud van de pensioenregeling vloeit voort uit het overleg tussen cao-partijen. De belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling zijn:
Pensioenregeling 2022
| Pensioensysteem | Uitkeringsovereenkomst in de vorm van een middelloonregeling. De pensioenuitkering is gebaseerd op het salaris dat gemiddeld verdiend is tijdens de deelnemingsperiode. |
|---|---|
| Pensioenleeftijd | Pensioenleeftijd 68 jaar. |
| Toetredingsleeftijd | Een werknemer die in dienst is bij een werkgever die is aangesloten bij het Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf neemt verplicht deel aan de pensioenregeling. De deelname gaat in op de eerste dag van de maand waarin de werknemer 20 jaar wordt. |
| Pensioengevend salaris | Het voor de werknemer geldende loon in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen in het boekjaar. |
| Grenssalaris | Het maximum in aanmerking te nemen pensioensalaris. Het grenssalaris is € 58.200,-; |
| Excedentsalaris | Het excedentsalaris is fiscaal gemaximeerd op € 114.866,-. |
| Franchise | Het franchisebedrag bedraagt € 14.802,- |
| Opbouwpercentage middelloon ouderdomspensioen | 1,30% van de pensioengrondslag. |
| Opbouwpercentage excedentregeling ouderdomspensioen | 1,875% van het excedentdeel. |
| Nabestaandenpensioen | Het nabestaandenpensioen (op opbouwbasis) bedraagt maximaal 70% van het te behalen ouderdomspensioen. |
| Wezenpensioen | Het wezenpensioen bedraagt voor elk kind 14% van het te behalen ouderdomspensioen en wordt uitgekeerd tot 18 jaar. Indien het kind na zijn 18e verjaardag een dagopleiding volgt aan een mbo-, een hbo- of een universitaire instelling of een daarmee (naar het oordeel van het Bestuur) gelijk te stellen opleiding, dan wordt het wezenpensioen uitgekeerd zolang de opleiding wordt gevolgd. In ieder geval zal het wezenpensioen niet langer worden uitgekeerd dan tot het einde van de maand waarin het kind zijn 27e verjaardag bereikt. Als beide ouders overlijden, wordt het wezenpensioen verdubbeld tot 28% van het jaarlijkse ouderdomspensioen. |
| Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid | Bij arbeidsongeschiktheid volgens de WIA- of WAO wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. De financiering van de voortzetting van pensioenopbouw komt voor rekening van het pensioenfonds. |
| Toeslagverlening | Als de middelen van het pensioenfonds het toelaten, kan het Bestuur de ingegane pensioenen, de premievrije aanspraken van gewezen deelnemers en de opgebouwde aanspraken van actieve deelnemers aanpassen. De toeslagverlening is voorwaardelijk. Er is geen recht op toeslagverlening en het is op de langere termijn niet zeker of en in hoeverre toeslagverlening zal plaatsvinden. Voor de voorwaardelijke toeslagverlening is geen reserve gevormd. Deze wordt gefinancierd uit de beleggingsrendementen. |
| Financiering | De deelnemersbijdrage in de pensioenregeling is in de cao voor het Bakkersbedrijf opgenomen. De bijdrage van de onderneming wordt geregeld in de uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds. |
| Flexibele elementen | De pensioenregeling heeft een aantal flexibele elementen: |
| Flexibele ingangsdatum 55-70 jaar; | |
| Flexibele aanwendingmogelijkheden, hoog-laagconstructie; | |
| Uitruilen ouderdomspensioen in partnerpensioen en omgekeerd. | |
| Het Bestuur is bevoegd de flexibiliseringsfactoren periodiek aan te passen op advies van de actuaris. |
Aanpassing pensioenregeling per 1 januari 2022
Het opbouwpercentage voor de ‘basisregeling’ is verlaagd van 1,35% naar 1,30%.
Excedentregeling
Het pensioenfonds kent een aanvullend reglement excedentvoorziening die door middel van actuariële premie wordt gefinancierd. De grondslagen voor de vaststelling van de voorziening zijn gelijk aan de grondslagen van de basisregeling. Voor de excedentregeling is vanaf 2022 besloten om een premie te hanteren die minimaal kostendekkend is. Dit komt overeen met een minimale premiedekkingsgraad van 100%. Indien een beleidsdekkingsgraad onder de 100% uitkomt, is de premiedekkingsgraad in de excedentregeling dan tenminste 100%. Bij een beleidsdekkingsgraad van b.v. 110% is de solvabiliteitsopslag 10% zodanig dat de premiedekkingsgraad ook 110% bedraagt. Aanvullend is vastgesteld dat de solvabiliteitsopslag niet negatief/minder dan 0% mag zijn. Hiermee wordt beoogd de regeling niet onnodig uit de markt te prijzen.
Vrijwillige aansluiting
Deze regeling is van toepassing op bedrijven die niet direct onder de werkingssfeer van het pensioenfonds vallen, maar qua karakter van het bedrijf en de aard van de werkzaamheden wel “branche-specifiek” genoemd kunnen worden. Op grond van deze regeling worden pensioenaanspraken geadministreerd overeenkomstig de basisregeling van het pensioenfonds.
Voor de benodigde premie worden de fondsgrondslagen toegepast, de verschuldigde premie is gelijk aan de doorsneepremie van de basisregeling.
Enkele bijzondere aspecten
Het pensioenfonds kent een regeling voor vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw na beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of ingang ouderdomspensioen.
De cao voor het Bakkersbedrijf kent vanaf 1 januari 2016 een vitaliteitsregeling waarbij de in aanmerking komende deelnemer 80% werkt, 90% salaris ontvangt en 100% pensioenopbouw verkrijgt over de periode van de vitaliteitsregeling. Het pensioenfonds regelt hierbij de 100% voortzetting van pensioenopbouw van de betreffende deelnemer.
Toeslagverlening
Het toeslagbeleid dient op grond van de Pensioenwet toekomstbestendig te zijn. Dit betekent dat niet meer toeslag wordt verleend dan in de toekomst te realiseren is. Voor het bepalen van het toeslagpercentage wordt onderstaande toeslagstaffel gehanteerd:
| Beleidsdekkingsgraad | Toeslagverlening |
|---|---|
| < 110% | Geen toeslagverlening. |
| Tussen 110% en toeslagverleningsdekkingsgraad* (%) | Gedeeltelijke toekomstbestendige toeslagverlening. |
| > Toeslagverleningsdekkings-graad (%) | Volledige toeslagverlening. Wanneer er na het verlenen van toeslagen een overschot is (vermogen boven dekkingsgraad gelijk aan de toeslagverleningsdekkingsgraad) mag dit overschot binnen de fiscale grenzen voor 1/5e deel worden aangewend om gemiste toeslagen in te halen en eventuele kortingen uit het verleden goed te maken. |
5.4 Nieuwe wetgeving
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste externe ontwikkelingen voor de komende periode besproken die van invloed kunnen zijn op het beleid van het pensioenfonds.
Wet toekomst pensioenen
In december 2022 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel “Wet toekomst pensioenen” (Wtp) aangenomen. De Eerste Kamer is in januari gestart met de behandeling van het wetsvoorstel. De voorziene datum van inwerkingtreding is nog steeds 1 juli 2023.
Invaren of niet
Inmiddels is duidelijk hoe de Pensioenwet en andere wetten worden aangepast, als de Eerste Kamer instemt met de Wtp.
In de periode tot 1 januari 2027 besluiten sociale partners en/of werkgevers over het al dan niet invaren van de opgebouwde aanspraken en rechten in een nieuwe pensioenregeling, die uiterlijk 1 januari 2027 moet ingaan.
Gelijke premie voor alle deelnemers
De nieuwe pensioenovereenkomst is een premieovereenkomst, waarvan drie varianten bestaan. Iedere deelnemer krijgt een persoonlijk pensioenvermogen, waaraan premies en positief of negatief rendement wordt toegevoegd.
Fiscaal geldt een maximumpremie van 30% van de pensioengrondslag. Dit maximum kan vanaf 2037 worden aangepast, aan de hand van dan geldende rendementsverwachtingen. Alle deelnemers hebben recht op hetzelfde premiepercentage, waardoor jongeren meer pensioen opbouwen dan ouderen.
Door een amendement zal ook in de solidaire premieregeling een collectieve uitkeringsfase mogelijk zijn: alle ingegane pensioenen worden daarin in dezelfde mate verhoogd of verlaagd, wat tot enige herverdeling tussen de leeftijdsgroepen binnen de gepensioneerden leidt.
Nabestaandenpensioen
Een van de ingrijpende wijzigingen is de uniformering van het partnerbegrip, dat voor ongehuwd samenwonenden nu nog per regeling kan verschillen.
Het partner- en wezenpensioen bij overlijden voor de pensioendatum is altijd verzekerd op risicobasis. De hoogte van het partnerpensioen wordt uitgedrukt in een percentage van het pensioengevend loon en bedraagt maximaal 50% daarvan.
Op de pensioendatum kan het pensioenvermogen gebruikt worden voor de aankoop van een ouderdomspensioen en een partnerpensioen voor overlijden na de pensioendatum.
Het wezenpensioen wordt ook aangepast, eindigt uiterlijk op 25 jaar en bedraagt maximaal 20% van het pensioengevend loon (volle wezen 40%).
De dekking van het partner- en wezenpensioen wordt voortgezet tijdens WW of een andere uitkering. Is er geen recht op zo’n uitkering dan duurt de dekking drie maanden , tenzij in de pensioenovereenkomst een duur van zes maanden is opgenomen. Daarna heeft de gewezen deelnemer het recht om voor eigen rekening de dekking voort te zetten. De pensioenregeling kan dit beperken tot 15 jaar.
Overgangsregeling nabestaandenpensioen
Degene die voor de overgang naar de nieuwe pensioenregeling partner is en gerechtigd tot een aanspraak op partnerpensioen, blijft ook na deze overgang gerechtigd tot die aanspraak. Hetzelfde geldt voor wezenpensioen op opbouwbasis. Hoe deze aanspraken precies moeten worden behouden in de nieuwe pensioenadministratie is iets wat nog verder moet worden uitgewerkt.
Wetsvoorstel uitkering ineens
Al in 2021 heeft het parlement ingestemd met de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Onderdeel daarvan was dat een deelnemer aan een pensioenregeling het recht krijgt om bij pensioeningang 10% van de waarde van zijn aanspraken op ouderdomspensioen ineens te kunnen ontvangen. De pensioenuitvoerder moet daaraan meewerken.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel bleek dat het voor het netto te genieten bedrag ineens verschil maakt in welke maand een deelnemer AOW-gerechtigd wordt. De AOW-datum is vaak de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat en daarmee ook de datum waarop het bedrag ineens genoten kan worden. Wie in januari AOW-gerechtigd wordt, betaalt in het jaar van AOW-ingang en daarmee van het genieten van het bedrag ineens, minder inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen dan iemand die later in het kalenderjaar AOW-gerechtigd wordt.
Om die verschillen teniet te doen, wilde de Tweede Kamer dat de wet werd aangepast: deelnemers moesten de mogelijkheid krijgen om de uitkering van 10% uit te stellen en te genieten in het jaar na het jaar van AOW-ingang.
Het wetsvoorstel is in 2022 ingediend bij de Tweede Kamer. Uitstel van de uitkering van het bedrag ineens is mogelijk voor wie met pensioen gaat in de maand waarin de AOW ingaat of op de eerste van maand na AOW-ingang.
Volgens het voorstel krijgt de gepensioneerde die gebruikmaakt van de uitstelmogelijkheid vanaf pensioeningang 90% van de reguliere uitkering. In januari van het jaar volgend op de AOW-datum ontvangt hij naast die 90% ook de waarde van 10% van het ouderdomspensioen op de pensioeningangsdatum. Als de gepensioneerde overlijdt voordat het bedrag ineens wordt betaald, vervalt het bedrag ineens aan de pensioenuitvoerder. De gepensioneerde krijgt postuum een aanvulling op de pensioenuitkeringen van 90%: de ‘ontbrekende 10%’ wordt dan nabetaald over de maanden tot aan het overlijden. Dit komt ten goede aan de erfgenamen.
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel begin 2023 nog in behandeling. Inmiddels is de voorziene datum van inwerkingtreding opgeschoven naar 1 januari 2024.
Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding
De opvolger van de huidige Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wps) zou oorspronkelijk op 1 januari 2021 in werking treden. De Wet toekomst pensioenen (Wtp) doorkruiste dit voornemen. Inmiddels is de invoering van de Wps voorzien voor 1 januari 2027, dus aan het einde van de periode waarin pensioenregelingen moeten zijn aangepast aan de Wtp.
Reden voor het uitstel van de Wps is dat de Wtp niet alleen een geheel nieuw pensioencontract introduceert, maar ook voorziet in wijziging van het partnerbegrip en in een nabestaandenpensioen dat sterk afwijkt van het nu meest voorkomende partnerpensioen, defined benefit op opbouwbasis. De regering heeft bijtijds ingezien dat beide wetsvoorstellen zo veel raakvlakken hebben, dat een vrijwel gelijktijdige invoering de administratie van pensioenuitvoerders extra zou belasten.
Automatische waardeoverdracht kleine pensioenen
Met de invoering van de Wet waardeoverdracht kleine pensioenen is het mogelijk geworden dat pensioenuitvoerders kleine pensioenen automatisch overdragen naar de nieuwe uitvoerder van de aanspraakgerechtigde, zonder dat daarvoor instemming van de gerechtigde nodig is. Intussen is de nodige ervaring opgedaan met de uitvoering van deze wet en het lijkt erop dat de automatische waardeoverdrachten soepel verlopen.
Kleine aanspraken niet ontstaan bij einde deelneming
Deze wet was bedoeld voor kleine pensioenen die zijn ontstaan bij einde deelneming als gevolg van het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Er zijn ook kleine aanspraken die op andere wijze zijn ontstaan, met name bij het eindigen van een uitvoeringsovereenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder. Deze laatste kan dan niet de kleine aanspraken overdragen aan een latere nieuwe uitvoerder, omdat er sprake is van een collectieve beëindiging van de deelneming en niet van het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Pensioenuitvoerders herkennen de verschillende soorten kleine aanspraken niet in de administratie en zouden bij een automatische waardeoverdracht alle kleine aanspraken overdragen.
Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat ook kleine aanspraken die niet zijn ontstaan door het einde van de deelneming bij het einde van een arbeidsovereenkomst, kunnen meegaan in het proces van automatische waardeoverdracht.
Het wetsvoorstel is op 1 januari 2023 in werking getreden. Er liggen nog grote aantallen oude kleine aanspraken, ontstaan vóór 2018, te wachten op automatische waardeoverdracht. Deze kleine aanspraken kunnen met deze wetswijziging de komende tijd ongesorteerd automatisch worden overgedragen.