9.1 Balans per 31 december 2023
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Ref. | ||||||||
| ACTIVA | ||||||||
| Beleggingen voor risico pensioenfonds | 1 | |||||||
| Vastgoedbeleggingen | 229.180 | 253.785 | ||||||
| Aandelen | 1.159.753 | 1.139.792 | ||||||
| Vastrentende waarden | 2.783.260 | 2.466.814 | ||||||
| Derivaten | 149.480 | 62.346 | ||||||
| Overige beleggingen | 0 | 25.650 | ||||||
| 4.321.673 | 3.948.387 | |||||||
| Vorderingen en overlopende activa | 2 | 26.449 | 22.467 | |||||
| Overige activa | 3 | 4.986 | 9.060 | |||||
| TOTAAL ACTIVA | 4.353.108 | 3.979.914 | ||||||
| PASSIVA | ||||||||
| Stichtingskapitaal en reserves | 4 | 483.818 | 424.407 | |||||
| Technische voorzieningen | ||||||||
| Voorziening pensioenverplichtingen voor risico pensioenfonds | 5 | 3.680.542 | 3.435.191 | |||||
| Derivaten | 6 | 40.960 | 93.663 | |||||
| Overige schulden en overlopende passiva | 7 | 147.788 | 26.653 | |||||
| TOTAAL PASSIVA | 4.353.108 | 3.979.914 |
9.2 Staat van baten en lasten
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Ref. | ||||||||
| BATEN | ||||||||
| Premiebijdragen voor risico pensioenfonds | 8 | 114.037 | 106.264 | |||||
| Beleggingsresultaten voor risico pensioenfonds | 9 | 329.269 | -1.225.872 | |||||
| Overige baten | 10 | 341 | 4 | |||||
| TOTAAL BATEN | 443.647 | -1.119.604 | ||||||
| LASTEN | ||||||||
| Pensioenuitkeringen | 11 | 98.297 | 95.303 | |||||
| Pensioenuitvoeringskosten | 12 | 10.778 | 9.290 | |||||
| Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds | 13 | |||||||
| Pensioenopbouw | 67.549 | 102.371 | ||||||
| Toeslagverlening | 80.834 | 33.866 | ||||||
| Korting van aanspraken en rechten | 0 | 0 | ||||||
| Rentetoevoeging | 109.926 | -23.937 | ||||||
| Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten | -101.706 | -98.270 | ||||||
| Wijziging marktrente | 106.516 | -1.550.051 | ||||||
| Wijziging actuariële grondslagen | 10.465 | 31.983 | ||||||
| Wijziging uit hoofde overdracht van rechten | -30.822 | -12.859 | ||||||
| Overige mutaties | 2.589 | 4.171 | ||||||
| 245.351 | -1.512.726 | |||||||
| Saldo overdrachten van rechten | 14 | 29.692 | 13.624 | |||||
| Overige lasten | 15 | 118 | 764 | |||||
| TOTAAL LASTEN | 384.236 | -1.393.745 | ||||||
| Saldo van baten en lasten | 59.411 | 274.141 | ||||||
| Bestemming van het saldo van baten en lasten | ||||||||
| Algemene reserve | 59.411 | 274.141 | ||||||
| Totaal saldo van baten en lasten | 59.411 | 274.141 | ||||||
9.3 Kasstroomoverzicht
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Kasstroom uit pensioenactiviteiten | ||||||||
| Ontvangsten | ||||||||
| Premies | 110.114 | 100.475 | ||||||
| Inkomende waardeoverdrachten | 16.109 | 9.736 | ||||||
| Overig ontvangsten | 268 | 0 | ||||||
| 126.491 | 110.211 | |||||||
| Uitgaven | ||||||||
| Pensioenuitkeringen | -98.895 | -95.060 | ||||||
| Uitgaande waardeoverdrachten | -45.801 | -23.360 | ||||||
| Pensioenuitvoeringskosten | -10.428 | -9.332 | ||||||
| Overigo uitgaven | 0 | -34 | ||||||
| -155.124 | -127.786 | |||||||
| Totaal kasstroom uit pensioenactiviteiten | -28.633 | -17.575 | ||||||
| Kasstroom uit beleggingsactiviteiten | ||||||||
| Ontvangsten | ||||||||
| Verkopen en aflossingen van beleggingen * | 4.117.174 | 5.570.216 | ||||||
| Directe beleggingsopbrengsten | 46.558 | 64.446 | ||||||
| Mutatie collateral *** | 119.458 | - | ||||||
| 4.283.190 | 5.634.662 | |||||||
| Uitgaven | ||||||||
| Aankopen beleggingen | -4.285.690 | -5.690.667 | ||||||
| Kosten vermogensbeheer | -4.601 | -6.497 | ||||||
| -4.290.291 | -5.697.164 | |||||||
| Totaal kasstroom uit beleggingsactiviteiten | -7.101 | -62.502 | ||||||
| Nettokasstroom | -35.734 | -80.077 | ||||||
| Koers-/omrekenverschillen | ||||||||
| Mutatie liquide middelen | -35.734 | -80.077 | ||||||
| Liquide middelen per 1 januari | 50.660 | 130.737 | ||||||
| Liquide middelen per 31 december | 14.926 | 50.660 | ||||||
| Mutatie liquide middelen ** | -35.734 | -80.077 |
9.4 Toelichting op de jaarrekening
Algemeen
Activiteiten
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf (hierna 'het pensioenfonds'), is statutair en feitelijk gevestigd aan Europaweg 27 te Groningen. De stichting is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 41149725.
Doelstelling van het pensioenfonds is het verlenen van pensioenen aan deelnemers, gewezen deelnemers en hun nabestaanden met inachtneming van de statuten en reglementen. Het pensioenfonds probeert dit doel te bereiken door premies te innen bij de aangesloten ondernemingen. De gelden worden belegd en beheerd en het pensioenfonds doet daaruit uitkeringen bij ouderdom en overlijden.
Overeenstemmingsverklaring
De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zoals deze zijn opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en met inachtneming van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder Richtlijn RJ 610 Pensioenfondsen. Het bestuur heeft op 19 juni 2024 de jaarrekening opgemaakt.
Referenties
In de balans en de staat van baten en lasten zijn referenties opgenomen waarmee wordt verwezen naar de toelichting.
Grondslagen
Algemene grondslagen
Alle bedragen in de jaarrekening zijn vermeld in euro's x 1.000, tenzij anders is aangegeven.
Continuïteitsveronderstelling
De jaarrekening is opgesteld op basis van 'going-concern'-uitgangspunten.
Opname van een actief of een verplichting
Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar het pensioenfonds zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Verantwoording van baten en lasten
Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Lasten worden verwerkt wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Indien een transactie ertoe leidt dat nagenoeg alle of alle toekomstige economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico's met betrekking tot een actief of een verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de verplichting niet langer in de balans opgenomen. Verder worden activa en verplichtingen niet meer in de balans opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde.
Transacties worden verwerkt op handelsdatum en niet op afwikkelingsdatum. Als gevolg hiervan kan sprake zijn van een post 'nog af te wikkelen transacties'. Deze post kan zowel een actief als een passief zijn.
Saldering van een actief en een verplichting
Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als nettobedrag in de balans opgenomen indien sprake is van een wettelijke of contractuele bevoegdheid om het actief en de verplichting gesaldeerd en gelijktijdig af te wikkelen en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te wikkelen. De met de gesaldeerd opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende rentebaten en rentelasten worden eveneens gesaldeerd opgenomen.
Vreemde valuta
Functionele valuta
De jaarrekening is opgesteld in euro's, zijnde de functionele en presentatievaluta van het pensioenfonds.
Transacties, vorderingen en schulden
Transacties in vreemde valuta gedurende de verslagperiode zijn in de jaarrekening verwerkt tegen de koers op transactiedatum. Activa en verplichtingen in vreemde valuta worden omgerekend naar euro's tegen de koers per balansdatum. De uit de afwikkeling en omrekening voortvloeiende koersverschillen komen ten gunste of ten laste van de staat van baten en lasten.
De koersen van de belangrijkste valuta zijn:
| 31-12-2023 | Gemiddeld 2023 | 31-12-2022 | Gemiddeld 2022 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| USD | 1,1047 | 1,0860 | 1,0673 | 1,1022 | ||||
| GBP | 0,8665 | 0,8769 | 0,8872 | 0,8634 | ||||
| JPY | 155,7336 | 148,2759 | 140,8183 | 135,8863 |
Vergelijking met vorig boekjaar
De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd ten opzichte van het voorgaande jaar.
Schattingswijziging
De opstelling van de jaarrekening in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW vereist dat het bestuur oordelen vormt en schattingen en veronderstellingen maakt die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de gerapporteerde waarde van activa en verplichtingen, en van baten en lasten.
De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld.
Indien het voor het geven van het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de desbetreffende jaarrekeningposten.
De overstap naar een nieuw opbouwpercentage van 1,60% (was 1,35%) dat aangehouden wordt voor de bepaling van de schadereserve voor arbeidsongeschikten. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 8.089 duizend. Daarnaast heeft de wijziging van het eerder genoemde opbouwpercentage tevens geleid tot een verhoging op de premievrijstelling invaliditeit met € 2.376. Gezamenlijk bedraagt dit € 10.465 en heeft dit een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,3%-punt.
Dekkingsgraden
De beleidsdekkingsgraad is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de dekkingsgraden over de laatste 12 maanden. Hierbij wordt steeds gebruikgemaakt van de meest actuele inschatting van de betreffende dekkingsgraden.
De (nominale) dekkingsgraad van het pensioenfonds wordt berekend door op balansdatum het balanstotaal minus de kortlopende schulden en negatieve derivaten te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans. De reële dekkingsgraad wordt berekend als de dekkingsgraad gedeeld door de Toekomstbestendige Indexatie grens (TBI-grens).
Grondslagen voor waardering van activa en passiva
Beleggingen
Algemeen
De beleggingen worden gewaardeerd tegen marktwaarde. Het begrip marktwaarde is te beschouwen als synoniem van reële waarde. Onder waardering op marktwaarde wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.
De waardering van participaties in beleggingsinstellingen geschiedt tegen marktwaarde. Voor beursgenoteerde beleggingsinstellingen is dit de marktnotering per balansdatum. De waardering in niet-beursgenoteerde beleggingsinstellingen geschiedt tegen actuele waarde.
Verwerking van waardeveranderingen van beleggingen
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen.
Vastgoedbeleggingen
Beursgenoteerde (indirecte) vastgoedbeleggingen worden gewaardeerd tegen de per balansdatum geldende beurskoers. De marktwaarde van niet-beursgenoteerde (indirecte) vastgoedbeleggingen is gebaseerd op het aandeel dat het pensioenfonds heeft in het eigen vermogen van de niet-beursgenoteerde vastgoedbelegging per balansdatum.
Aandelen
Beursgenoteerde aandelen en participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen zijn gewaardeerd tegen marktwaarde, zijnde de beurswaarde per balansdatum.
De actuele waarde van niet-beursgenoteerde aandelen en participaties in beleggingsfondsen is gebaseerd op het aandeel dat het pensioenfonds heeft in het eigen vermogen van het niet-beursgenoteerde aandeel per balansdatum.
Private equity beleggingen worden gewaardeerd op marktwaarde, zijnde de intrinsieke waarde. Deze waarde wordt ontleend aan de meest recente rapportages van de fundmanagers, gecorrigeerd voor de kasstromen in de periode tot balansdatum. Daarnaast wordt bij de waardering rekening gehouden met eventuele negatieve gevolgen van materiële gebeurtenissen in het verslagjaar na ontvangst van deze rapportages. De managers bepalen de waarde op basis van lokale wet- en regelgeving.
Vastrentende waarden
Beursgenoteerde vastrentende waarden en participaties in beursgenoteerde beleggingsinstellingen zijn gewaardeerd tegen marktwaarde, zijnde de beurswaarde per balansdatum.
Indien vastrentende waarden of participaties in beleggingsinstellingen niet-beursgenoteerd zijn, vindt waardebepaling plaats op basis van de geschatte toekomstige nettokasstromen (rente en aflossingen) die uit de beleggingen zullen voortvloeien, contant gemaakt tegen de ultimo boekjaar geldende marktrente en rekening houdend met het risicoprofiel (kredietrisico; oninbaarheid) en de looptijden.
De lopende interest op vastrentende waarden wordt gepresenteerd als onderdeel van de marktwaarde van de vastrentende waarden.
Derivaten
Derivaten worden gewaardeerd op reële waarde, te weten de relevante marktnoteringen of, als die niet beschikbaar zijn, de waarde die wordt bepaald met behulp van marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen.
Indien een derivatenpositie negatief is wordt het bedrag onder de schulden verantwoord.
Overige beleggingen
Overige beleggingen worden gewaardeerd op marktwaarde. Indien geen marktwaarde beschikbaar is, wordt de waarde bepaald met behulp van marktconforme en toetsbare waarderingsmodellen.
Vorderingen en overlopende activa
Vorderingen en overlopende activa worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking worden vorderingen gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van transactiekosten) onder aftrek van eventuele bijzondere waardeverminderingen, indien sprake is van oninbaarheid.
Liquide middelen
Liquide middelen worden tegen nominale waarde gewaardeerd. Onder de liquide middelen zijn opgenomen die kas- en banktegoeden die onmiddellijk opeisbaar zijn dan wel een looptijd korter dan twaalf maanden hebben. Zij worden onderscheiden van tegoeden in verband met beleggingstransacties. Liquide middelen uit hoofde van beleggingstransacties worden gepresenteerd onder de beleggingen.
Stichtingskapitaal en reserves
Stichtingskapitaal en reserves worden bepaald door het bedrag dat resteert nadat alle actiefposten en posten van het vreemd vermogen, inclusief de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds en overige technische voorzieningen, volgens de van toepassing zijnde waarderingsgrondslagen in de balans zijn opgenomen.
De statutaire reserves en de overige wettelijke reserves die het pensioenfonds vormt, blijken op grond van artikel 2: 373 lid 1 BW afzonderlijk uit de balans.
Technische voorzieningen
Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
De voorziening voor pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds wordt gewaardeerd op actuele waarde (ultimate forward rate). De actuele waarde wordt bepaald op basis van de contante waarde van de beste inschatting van toekomstige kasstromen die samenhangen met de op balansdatum onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen.
Onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen zijn de opgebouwde nominale aanspraken en de onvoorwaardelijke (toezeggingen tot) toeslagen. De contante waarde wordt bepaald met gebruikmaking van de ultimate forward rentecurve, zoals gepubliceerd door DNB.
Bij de berekening van de voorziening pensioenverplichtingen is uitgegaan van het op de balansdatum geldende pensioenreglement en van de over de verstreken deelnemersjaren verworven aanspraken. Jaarlijks wordt door het Bestuur besloten of toeslagen op de opgebouwde pensioenaanspraken worden verleend. Alle per balansdatum bestaande besluiten tot toeslagverlening (ook voor besluiten na balansdatum voor zover sprake is van ex-antecondities) zijn in de berekening begrepen. Er wordt geen rekening gehouden met toekomstige salarisontwikkelingen.
Bij de berekening van de voorziening wordt rekening gehouden met premievrije pensioenopbouw in verband met invaliditeit op basis van de contante waarde van premies waarvoor vrijstelling is verleend wegens arbeidsongeschiktheid.
Bij de bepaling van de actuariële uitgangspunten wordt uitgegaan van voor de toezichthouder acceptabele grondslagen, waarbij rekening wordt gehouden met de voorzienbare trend in overlevingskansen:
- De gehanteerde marktrente die gebaseerd is op de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB, rekening houdend met een gemiddelde looptijd van de uitkeringen van 19,5 jaar (2022: 19,9 jaar).
- Overlevingstafels, te weten de prognosetafels AG2022 (2022: idem) met ervaringssterfte op basis van fondsspecifieke correctiefactoren ES2022 (2022: idem).
- Partnerfrequentie, CBS 2022 inclusief samenwonend (2022: idem).
- (On)bepaald partnersysteem.
Voor partnerpensioen is aangenomen dat de vrouwelijke partner 3 jaar jonger is dan de verzekerde man en de mannelijke partner 2 jaar ouder dan de verzekerde vrouw (2022: idem)
- Kostenopslag ter grootte van 2,7% van de voorziening voor pensioenverplichtingen in verband met toekomstige administratie- en excassokosten (2022: idem).
- Voorziening voor uitgesteld wezenpensioen: 0,45% (van de voorziening van uitgesteld partnerpensioen bij uitgesteld ouderdomspensioen (2022: idem).
- Voorziening voor toekomstige pensioenopbouw arbeidsongeschikten: de contante waarde van de vrijgestelde (toekomstige) pensioenopbouw is voor 100% in de technische voorziening opgenomen. Ten behoeve van het inlooprisico (wachttijd voor WIA-uitkering 2 jaar) wordt een opslag ter grootte van 7,3% van de actuariële koopsom voor de pensioenopbouw in het boekjaar en het voorgaande boekjaar opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen (2022: idem).
- Voorziening in verband met niet-opgevraagde pensioenen: de berekende voorziening vermenigvuldigd met de kans dat het bedrag alsnog wordt opgevraagd. Deze kans is voor leeftijden tot de actuele pensioenrichtleeftijd 100%, op de actuele pensioenrichtleeftijd 50% en vervolgens per jaar met 10% aflopend naar 0% (2022: idem). Voor niet opgevraagd nabestaandenpensioen dient voor pensioenrichtleeftijd ingangsleeftijd gelezen te worden.
Overige schulden en overlopende passiva
Overige schulden en overlopende passiva worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking worden schulden gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van transactiekosten).
Kortlopende schulden hebben een looptijd korter dan één jaar.
Grondslagen voor bepaling van het resultaat
Algemeen
De in de staat van baten en lasten opgenomen posten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorziening pensioenverplichtingen. Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde resultaten worden rechtstreeks verantwoord in het resultaat.
Premiebijdragen (van werkgevers en werknemers)
Onder premiebijdragen van werkgevers en werknemers wordt verstaan de aan derden in rekening gebrachte c.q. te brengen bedragen voor de in het verslagjaar verzekerde pensioenen onder aftrek van kortingen. De ambtshalve opgelegde premies waartegenover geen opbouw staat zijn uit het resultaat geëlimineerd. Premies zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Eventuele opslagen op de premie zijn eveneens als premiebijdragen verantwoord.
Beleggingsresultaten risico pensioenfonds
Indirecte beleggingsopbrengsten
Onder de indirecte beleggingsopbrengsten worden verstaan de gerealiseerde en ongerealiseerde waarde wijzigingen en valutaresultaten. In de jaarrekening wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen. (In)directe beleggingsresultaten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.
Directe beleggingsopbrengsten
Onder de directe beleggingsopbrengsten wordt in dit verband verstaan rentebaten en -lasten, dividenden, huuropbrengsten en soortgelijke opbrengsten.
Dividend wordt verantwoord op het moment van betaalbaarstelling.
Kosten vermogensbeheer
Onder kosten van vermogensbeheer worden de externe kosten verstaan.
Verrekening van kosten
Met de directe en indirecte beleggingsopbrengsten zijn verrekend de aan de opbrengsten gerelateerde transactiekosten, provisies, valutaverschillen en indirecte kosten vermogensbeheer e.d.
Pensioenuitkeringen
De pensioenuitkeringen betreffen de aan deelnemers uitgekeerde bedragen inclusief afkopen. De pensioenuitkeringen zijn berekend op actuariële grondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben.
Pensioenuitvoeringskosten
De pensioenuitvoeringskosten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
Pensioenopbouw
Bij de pensioenopbouw zijn aanspraken en rechten over het boekjaar gewaardeerd naar het niveau dat zij op balansdatum hebben.
Indexering en overige toeslagen
Het pensioenfonds streeft ernaar zowel de opgebouwde pensioenrechten van de actieve deelnemers als de ingegane pensioenen en de premievrije pensioenrechten (gewezen deelnemers) jaarlijks aan te passen aan de ontwikkeling van de prijsindex. De toeslagverlening heeft een voorwaardelijk karakter. Dit betekent dat geen recht op toeslagen bestaat en dat het niet zeker is of en in hoeverre in de toekomst toeslagverlening kan plaatsvinden. Een eventuele achterstand in de toeslagverlening kan onder voorwaarden binnen een periode van 5 jaar worden ingehaald.
Rentetoevoeging
De pensioenverplichtingen zijn opgerent met 3,264% (2022: -0,486%), op basis van de éénjaarsrente van de DNB-curve aan het begin van het verslagjaar.
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Vooraf wordt een actuariële berekening gemaakt van de toekomstige pensioenuitvoeringskosten (met name excassokosten) en pensioenuitkeringen die in de voorziening pensioenverplichtingen worden opgenomen. Deze post betreft de vrijval ten behoeve van de financiering van de kosten en uitkeringen in het verslagjaar.
Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend door toepassing van de actuele rentetermijnstructuur. Het effect van de verandering van de rentetermijnstructuur wordt verantwoord onder wijziging marktrente.
Wijzigingen actuariële uitgangspunten
Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruikgemaakt van interne en externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie van het pensioenfonds.
De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het pensioenfonds. Het effect van deze wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten
Een resultaat op overdrachten kan ontstaan doordat de vrijval van de voorziening plaatsvindt tegen fondstarieven, terwijl het bedrag dat wordt overgedragen gebaseerd is op de wettelijke factoren voor waardeoverdrachten. De tarieven van het pensioenfonds wijken af van de wettelijke tarieven.
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
De overige mutaties ontstaan door mutaties in de aanspraken door overlijden, arbeidsongeschiktheid en pensioneren.
Saldo overdrachten van rechten
De post saldo overdrachten van rechten bevat het saldo van bedragen uit hoofde van overgenomen dan wel overgedragen pensioenverplichtingen.
Overige baten en lasten
Overige baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.
Kasstroomoverzicht
Het kasstroomoverzicht is volgens de directe methode opgesteld. Alle ontvangsten en uitgaven worden hierbij als zodanig gepresenteerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen kasstromen uit pensioenactiviteiten en beleggingsactiviteiten. De liquide middelen in het kasstroomoverzicht zijn zowel de liquide middelen verantwoord onder "Overige activa" als de liquide middelen verantwoord onder "Beleggingen". De kasstromen uit directe beleggingsopbrengsten onder beleggingsactiviteiten zijn inclusief de derivatentransacties.
9.5 Toelichting op de balans per 31 december 2023
ACTIVA
1. Beleggingen voor risico pensioenfonds
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Vastgoedbeleggingen | 229.180 | 253.785 | ||
| Aandelen | 1.159.753 | 1.139.792 | ||
| Vastrentende waarden | 2.783.260 | 2.466.814 | ||
| Derivaten | 149.480 | 62.346 | ||
| Overige beleggingen | 0 | 25.650 | ||
| Totaal | 4.321.673 | 3.948.387 |
| (bedragen x € 1.000) | Vastgoedbeleggingen | Aandelen | Vastrentende waarden | Derivaten | Overige beleggingen | Totaal | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Stand per 1 januari 2023 | 253.785 | 1.139.792 | 2.466.814 | -31.317 | 25.650 | 3.854.724 | ||||||
| Aankopen | 8.555 | 477.859 | 3.267.683 | 286.770 | 244.823 | 4.285.690 | ||||||
| Verkopen | -5.298 | -600.091 | -3.041.145 | -219.411 | -242.123 | -4.108.068 | ||||||
| Herwaardering | -27.922 | 142.137 | 107.802 | 65.752 | 0 | 287.769 | ||||||
| Overige mutaties | 60 | 56 | -17.894 | 6.726 | -28.350 | -39.402 | ||||||
| Stand per 31 december 2023 | 229.180 | 1.159.753 | 2.783.260 | 108.520 | 0 | 4.280.713 | ||||||
| Schuldpositie derivaten (credit) | 40.960 | |||||||||||
| Totaal | 4.321.673 |
| (bedragen x € 1.000) | Vastgoedbeleggingen | Aandelen | Vastrentende waarden | Derivaten | Overige beleggingen | Totaal | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Stand per 1 januari 2022 | 245.915 | 1.803.954 | 3.022.284 | -81.808 | 89.887 | 5.080.232 | ||||||
| Aankopen | 22.119 | 584.666 | 3.730.557 | 992.295 | 361.030 | 5.690.667 | ||||||
| Verkopen | -22.151 | -1.069.582 | -3.823.817 | -259.086 | -387.870 | -5.562.506 | ||||||
| Herwaardering | 7.941 | -163.905 | -444.345 | -683.527 | -8 | -1.283.844 | ||||||
| Overige mutaties | -39 | -15.341 | -17.865 | 809 | -37.389 | -69.825 | ||||||
| Stand per 31 december 2022 | 253.785 | 1.139.792 | 2.466.814 | -31.317 | 25.650 | 3.854.724 | ||||||
| Schuldpositie derivaten (credit) | 93.663 | |||||||||||
| Totaal | 3.948.387 |
Vastgoedbeleggingen
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Indirecte vastgoedbeleggingen, zijnde participaties in beleggingsinstellingen die beleggen in vastgoed | 229.128 | 253.707 | ||
| Vorderingen | 52 | 78 | ||
| Totaal | 229.180 | 253.785 |
Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| CBRE Dutch Residential Fund IV | 73.894 | 32,2% | 83.242 | 32,8% | ||||
| CBRE Pan European Core Fund | 58.824 | 25,7% | 63.335 | 25,0% | ||||
| Prime Property Fund LLC | 40.359 | 17,6% | 43.362 | 17,1% | ||||
| Invesco Core Real Estate USA | 38.293 | 16,7% | 45.698 | 18,0% | ||||
| Totaal | 211.370 | 92,2% | 235.637 | 92,8% |
Aandelen
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Beusgenoteerde aandelen | 907.809 | 902.755 | ||
| Private equity | 236.039 | 231.294 | ||
| Vorderingen | 15.905 | 5.743 | ||
| Totaal | 1.159.753 | 1.139.792 |
Vastrentende waarden
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Overheidsobligaties | 772.832 | 710.943 | ||
| Bedrijfsobligaties | 295.692 | 338.308 | ||
| Hypotheken | 458.075 | 446.259 | ||
| Overige obligaties | 5.129 | 4.959 | ||
| Private loans | 49.420 | 47.149 | ||
| Geldmarktfondsen | 1.191.504 | 891.641 | ||
| Vorderingen | 668 | 11.605 | ||
| Liquide middelen | 9.940 | 15.950 | ||
| Totaal | 2.783.260 | 2.466.814 |
Het pensioenfonds belegt niet in de aangesloten ondernemingen.
Ultimo boekjaar zijn er geen posities binnen de betreffende beleggingscategorie met een belang groter dan 5%.
Ultimo boekjaar bedragen de volgende posten meer dan 5,0% van de betreffende beleggingscategorie:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Duitsland staatsobligaties | 79.533 | 2,9% | 119.941 | 4,9% | ||||
| Nederland staatsobligaties | 336.502 | 12,1% | 252.911 | 10,3% | ||||
| AEGON NV | 321.180 | 11,5% | 315.140 | 12,8% | ||||
| ASR Nederland NV | 137.641 | 4,9% | 131.324 | 5,3% | ||||
| Totaal | 874.856 | 31,4% | 819.316 | 33,2% |
Derivaten
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Rentederivaten | 134.253 | 40.721 | ||
| Valutaderivaten | 14.957 | 19.545 | ||
| Overige derivaten | 270 | 678 | ||
| Vorderingen | 0 | 1.402 | ||
| Totaal | 149.480 | 62.346 |
Overige beleggingen
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Liquide middelen | 0 | 25.650 | ||
| Totaal | 0 | 25.650 |
Voor rentederivaten met een positieve waarde zijn zekerheden ontvangen voor € 15,8 miljoen. (2022: voor rentederivaten met een positieve waarde per 31 december 2022 zijn zekerheden ontvangen voor een bedrag van € 18,6 miljoen). De derivatenpositie wordt nader toegelicht in de risicoparagraaf van deze jaarrekening.
De liquide middelen binnen de overige beleggingen betreffen eind 2023 een negatieve waarde die samenhangt met de afwikkeling van derivatentransacties en zijn gepresenteerd bij de overige schulden.
Securities lending
Sinds 2022 neemt het fonds weer deel aan securities lending. Ultimo 2023 heeft het fonds voor € 108,2 miljoen (€ 89,5 miljoen nominale waarde) aan stukken uitgeleend. Het daarvoor ontvangen onderpand bedraagt € 113,6 miljoen. In 2022 had het pensioenfonds voor € 180,9 miljoen (€ 171,4 miljoen nominale waarde) aan stukken uitgeleend, met een ontvangen onderpand van € 188,0 miljoen).
In de wijze waarop de waardering tot stand is gekomen kan het volgende onderscheid worden gemaakt:
| (bedragen x € 1.000) | Directe marktnotering | Afgeleide markt-noteringen |
Waarderingsmodellen | Totaal | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Vastgoedbeleggingen | 14.804 | 0 | 214.376 | 229.180 | ||||
| Aandelen | 923.714 | 0 | 236.039 | 1.159.753 | ||||
| Vastrentende waarden | 2.056.195 | 727.065 | 0 | 2.783.260 | ||||
| Derivaten | 0 | 108.520 | 0 | 108.520 | ||||
| Overige beleggingen | 0 | 0 | 0 | 0 | ||||
| Stand per 31 december 2023 | 2.994.713 | 835.585 | 450.415 | 4.280.713 |
Schattingen en oordelen
Zoals vermeld in de toelichting zijn de beleggingen van het pensioenfonds nagenoeg allemaal gewaardeerd tegen actuele waarde per balansdatum en is het over het algemeen mogelijk en gebruikelijk om de actuele waarde binnen een aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te stellen. Voor sommige andere financiële instrumenten, zoals beleggingsvorderingen en -schulden, geldt dat de boekwaarde de actuele waarde benadert als gevolg van het kortetermijnkarakter van de vorderingen en schulden. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen op balansdatum benadert de actuele waarde.
Voor de meerderheid van de financiële instrumenten van het pensioenfonds kan gebruik worden gemaakt van marktnoteringen. Echter, bepaalde financiële instrumenten, zoals bijvoorbeeld derivaten zijn gewaardeerd door middel van gebruikmaking van waarderingsmodellen en -technieken, inclusief verwijzing naar de huidige reële waarde van vergelijkbare instrumenten.
| (bedragen x € 1.000) | Directe marktnotering | Afgeleide markt-noteringen |
Waarderingsmodellen | Totaal | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Vastgoedbeleggingen | 14.657 | 0 | 239.128 | 253.785 | ||||||
| Aandelen | 908.498 | 0 | 231.294 | 1.139.792 | ||||||
| Vastrentende waarden | 1.754.851 | 711.963 | 0 | 2.466.814 | ||||||
| Derivaten | 0 | -31.317 | 0 | -31.317 | ||||||
| Overige beleggingen | 25.650 | 0 | 0 | 25.650 | ||||||
| Stand per 31 december 2022 | 2.703.656 | 680.646 | 470.422 | 3.854.724 |
Schattingen van de actuele waarde zijn een momentopname, gebaseerd op de marktomstandigheden en de beschikbare informatie over het financiële instrument. Deze schattingen zijn van nature subjectief en bevatten onzekerheden en een significante oordeelsvorming (bijvoorbeeld rentestand, volatiliteit, schatting van kasstromen, etc.) en kunnen derhalve niet met precisie worden vastgesteld.
2. Vorderingen en overlopende activa
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Vorderingen op deelnemers van het pensioenfonds | 3 | 8 | ||
| Vorderingen op werkgevers | 26.273 | 22.354 | ||
| Overige vorderingen en overlopende activa | 173 | 105 | ||
| Totaal | 26.449 | 22.467 |
| Specificatie Vorderingen op werkgevers | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Vorderingen op werkgevers | 26.842 | 23.291 | ||
| Voorziening dubieuze debiteuren | -569 | -937 | ||
| Totaal | 26.273 | 22.354 |
Alle vorderingen hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.
3. Overige activa
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Liquide middelen | 4.986 | 9.060 | ||
| Totaal | 4.986 | 9.060 |
De tegoeden bij banken staan ter vrije beschikking van het pensioenfonds. Kredietfaciliteiten zijn niet van toepassing.
4. Stichtingskapitaal en reserves
| (bedragen x € 1.000) | Algemene reserve | |
|---|---|---|
| Stand per 1 januari 2022 | 150.266 | |
| Uit bestemmingssaldo van baten en lasten | 274.141 | |
| Stand per 31 december 2022 | 424.407 | |
| Uit bestemmingssaldo van baten en lasten | 59.411 | |
| Stand per 31 december 2023 | 483.818 |
PASSIVA
Dekkingsgraad, vermogenspositie en herstelplan
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Feitelijke dekkingsgraad | 113,1% | 112,4% | ||
| Reële dekkingsgraad | 85,0% | 81,2% | ||
| Beleidsdekkingsgraad | 115,7% | 109,0% |
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | |||
|---|---|---|---|---|
| Stichtingskapitaal en reserves | 483.818 | 113,1% | ||
| Minimaal vereist eigen vermogen | 156.286 | 104,3% | ||
| Vereist eigen vermogen | 566.504 | 115,4% |
De (nominale) dekkingsgraad van het pensioenfonds wordt berekend door op balansdatum het pensioenvermogen te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans.
De beleidsdekkingsgraad is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de (nominale) dekkingsgraden naar de meest actuele inzichten over de laatste 12 maanden.
De reële dekkingsgraad wordt berekend als de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de Toekomstbestendige Indexatiegrens (TBI-grens).
Voor het bepalen van het vereist eigen vermogen (de solvabiliteitstoets) maakt het fonds gebruik van het standaardmodel. Het bestuur acht het gebruik van het standaardmodel passend voor de risico's van het fonds. De uitkomsten van de solvabiliteitstoets zijn opgenomen onder de paragraaf risicobeheer.
De vermogenspositie van het pensioenfonds kan als gevolg hiervan worden gekarakteriseerd als toereikend. De certificerend actuaris beschouwt de positie van het vermogen als voldoende.
Herstelplan
Eind maart 2023 heeft het pensioenfonds op grond van artikel 139, lid 1 van de Pensioenwet een geactualiseerd herstelplan ingediend bij DNB. In het herstelplan is de verwachte beleidsdekkingsgraad eind 2023 gelijk aan 113,7%. De beleidsdekkingsgraad per 31 december 2023 is met 115,7% hoger. De beleidsdekkingsgraad is hoger dan de minimaal vereiste dekkingsgraad van 104,3% en hoger dan de vereiste dekkingsgraad van 115,4%. Het pensioenfonds bevindt zich daarmee in een situatie van toereikende solvabiliteit en is uit herstel waardoor in 2024 geen herstelplan ingediend te worden.
Op grond van het financieel toetsingskader moet een pensioenfonds jaarlijks een haalbaarheidstoets uitvoeren en moet het pensioenfonds laten zien dat het afgesproken premiebeleid reëel en haalbaar is, alsook dat het pensioenfonds een voldoende herstelkracht heeft vanuit het niveau van de minimaal vereiste dekkingsgraad.
Op 27 juni 2023 heeft het pensioenfonds een haalbaarheidstoets ingediend bij DNB. De uitkomsten van deze toets zijn getoetst aan de risicohouding op lange termijn. De uitkomsten van de haalbaarheidstoets voldoen aan de door het pensioenfonds opgestelde beleidsgrenzen.
Statutaire regelingen omtrent de bestemming van het saldo van baten en lasten
Ten aanzien van de bestemming van het saldo van baten en lasten is geen bepaling opgenomen in de statuten van het fonds. De bestemming is nader uitgewerkt in de ABTN.
Het positief saldo van de staat van baten en lasten van € 59.411 over 2023 is toegevoegd aan de algemene reserve.
5. Technische voorzieningen
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds | 3.680.542 | 3.435.191 | ||
| Totaal | 3.680.542 | 3.435.191 |
Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Stand per 1 januari | 3.435.191 | 4.947.917 | ||
| Pensioenopbouw | 67.549 | 102.371 | ||
| Toeslagverlening | 80.834 | 33.866 | ||
| Rentetoevoeging | 109.926 | -23.937 | ||
| Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten | -101.706 | -98.270 | ||
| Wijziging marktrente | 106.516 | -1.550.051 | ||
| Wijziging actuariële grondslagen | 10.465 | 31.983 | ||
| Wijziging uit hoofde overdracht van rechten | -30.822 | -12.859 | ||
| Overige mutaties | 2.589 | 4.171 | ||
| Stand per 31 december | 3.680.542 | 3.435.191 |
Pensioenopbouw
Onder pensioenopbouw is opgenomen de actuarieel berekende waarde van de diensttijdopbouw. Dit is het effect op de voorziening pensioenverplichtingen van de in het verslagjaar opgebouwde nominale rechten ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Verder is hierin begrepen het effect van de individuele salarisontwikkeling.
Rentetoevoeging
De pensioenverplichtingen zijn opgerent met 3,264% (2022: -0,486%), op basis van de éénjaarsrente van de RTS aan het begin van het verslagjaar.
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Verwachte toekomstige pensioenuitkeringen worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de verwachte pensioenuitkeringen in de verslagperiode.
Toekomstige pensioenuitvoeringskosten (in het bijzonder excassokosten) worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de verwachte uitvoeringskosten in de verslagperiode.
Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend door toepassing van de actuele RTS. Het effect van de verandering van de RTS wordt verantwoord onder het onderdeel wijziging marktrente.
De gemiddelde rente waarop de pensioenverplichtingen is gebaseerd is als volgt:
| Rentepercentage per 31 december | ||
|---|---|---|
| 2021 | 0,59 | |
| 2022 | 2,50 | |
| 2023 | 2,29 |
Wijziging actuariële uitgangspunten
Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie van het pensioenfonds.
De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het fonds. Het effect van deze wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.
Effect aanpassing actuariële grondslagen:
Ultimo 2023 is er één grondslagwijziging doorgevoerd. Dit betreft de verhoging van het opbouwpercentage naar 1,60% (was 1,35%). Deze wordt gehanteerd voor de bepaling van de schadereserve voor arbeidsongeschikten en de IBNR. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 10.465 duizend bestaande uit € 8.089 duizend voor de schadereserves voor arbeidsongeschikten en € 2.376 duizend voor de IBNR. Gezamenlijk heeft dit een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,3%-punt.
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Toevoeging aan de technische voorziening | 17.753 | 10.080 | ||
| Onttrekking aan de technische voorziening | -48.575 | -22.939 | ||
| Totaal | -30.822 | -12.859 |
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Resultaat op kanssystemen: | ||||
| - Sterfte | 447 | -2.289 | ||
| - Arbeidsongeschiktheid | 1.897 | 6.046 | ||
| - Mutaties | 245 | 414 | ||
| Totaal | 2.589 | 4.171 |
De voorziening voor pensioenverplichtingen is naar categorieën als volgt samengesteld:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Voorziening | Aantallen | Voorziening | Aantallen | |||||
| Actieve deelnemers | 1.322.130 | 34.857 | 1.244.502 | 34.526 | ||||
| Gewezen deelnemers | 1.101.784 | 85.680 | 1.035.693 | 97.955 | ||||
| Pensioengerechtigden | 1.161.443 | 24.625 | 1.066.227 | 24.156 | ||||
| Opslag toekomstige uitvoeringskosten | 95.185 | 88.769 | ||||||
| Totaal | 3.680.542 | 145.162 | 3.435.191 | 156.637 |
Korte beschrijving pensioenregeling in 2023
De pensioenregeling wordt gekenmerkt als een voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregeling met een pensioenleeftijd van 68 jaar. Jaarlijks wordt een aanspraak op ouderdomspensioen opgebouwd over het in dat jaar geldende pensioengevend salaris. Het pensioengevend salaris is gelijk aan het sociale verzekeringsloon (SV-loon) van het betreffende boekjaar. Over dit pensioensalaris wordt na aftrek van de franchise een ouderdomspensioen opgebouwd. Daarnaast bestaat er recht op nabestaanden- en wezenpensioen. Deelname aan de regeling is vanaf de leeftijd van 20 jaar. Jaarlijks beslist het bestuur van het pensioenfonds in hoeverre de opgebouwde aanspraken worden geïndexeerd. Overeenkomstig artikel 10 van de Pensioenwet is de pensioenregeling gekwalificeerd als een uitkeringsovereenkomst.
De inhoud van de pensioenregeling is het resultaat van het overleg tussen cao-partijen. De huidige pensioenregeling, voor deelnemers geboren op of na 1 januari 1950, is van kracht vanaf 1 januari 2006 en gewijzigd per 1 januari 2022 en laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2023.
De belangrijkste kenmerken van deze pensioenregeling zijn:
- Pensioensysteem: Uitkeringsovereenkomst in de vorm van een middelloonregeling. De pensioenuitkering is gebaseerd op een opbouwpercentage van het pensioengevend salaris dat gemiddeld verdiend is tijdens de deelnemingsperiode minus de franchise.
Pensioenleeftijd: 68 jaar. - Toetredingsleeftijd: Een werknemer die in dienst is bij een werkgever die is aangesloten bij het Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf neemt verplicht deel aan de pensioenregeling. De deelname gaat in op de eerste dag van de maand waarin de werknemer 20 jaar wordt. Per 1 januari 2024 is de toetredingsleeftijd gewijzigd naar 18 jaar.
- Pensioengevend salaris: Het voor de werknemer geldende loon in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen in het boekjaar (SV-loon).
- Opbouwpercentage middelloon: Voor de berekening van de aanspraken op jaarlijks ouderdomspensioen geldt per jaar van deelneming een percentage van het pensioengevend salaris minus de jaarlijks vastgestelde franchise.
- De opbouw van ouderdomspensioen bedraagt in 2023 1,35% per jaar.
Partnerpensioen: Het partnerpensioen bedraagt maximaal 70% van het opgebouwde of te behalen ouderdomspensioen.
Wezenpensioen: Het wezenpensioen bedraagt voor elk kind 14% van het opgebouwde of te behalen ouderdomspensioen en wordt uitgekeerd tot 18 jaar. Wanneer een wees na de 18-de verjaardag recht heeft op kinderbijslag of recht heeft op studiefinanciering, kan er een recht bestaan op een wezenpensioen tot 27 jaar. Als beide ouders overlijden, wordt het wezenpensioen verdubbeld tot 28% van het jaarlijkse ouderdomspensioen.
Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid: Bij arbeidsongeschiktheid volgens de WIA of WAO wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. De financiering van de voortzetting van pensioenopbouw komt voor rekening van het pensioenfonds.
Toeslagverlening
De toeslagen op pensioenrechten en pensioenaanspraken worden jaarlijks vastgesteld door het bestuur van het fonds. Dit heeft plaatsgevonden in december 2023. Er bestaat een ambitie om jaarlijks de pensioenrechten en pensioenaanspraken aan te passen.
De daadwerkelijke toeslag in een jaar is voorwaardelijk en is afhankelijk van de hoogte van de beschikbare middelen. De vaststelling van het toeslagpercentage voor zowel actieve en arbeidsongeschikte deelnemers als voor gepensioneerde en premievrije deelnemers wordt in principe afgeleid van de stijging van het consumentenprijsindexcijfer voor alle bestedingen (afgeleid) tussen 1 april van het voorafgaande jaar en 1 april in het jaar waarop de toeslag betrekking heeft. De stijging bedroeg tussen 1 april 2022 en 1 april 2023 0,8%. Op basis van het reguliere beleid van het pensioenfonds was derhalve een toeslag mogelijk van 0,8%. Het bestuur van het pensioenfonds heeft echter besloten om voor de toeslag per 1 januari 2024 gebruik te maken van de verruimde aanvullende wettelijke maatregel volgens de AMvB. Hierdoor worden de pensioenrechten en pensioenaanspraken per 1 januari 2024 verhoogd met 2,25% (1 januari 2023: 1,0%).
Er is geen recht op toekomstige toeslagen. Het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst wordt geïndexeerd. Het fonds heeft geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen. Toeslagen zijn afhankelijk van de middelen van het fonds, en daarvoor zijn beleggingsresultaten een belangrijk element.
Specificatie toeslagverlening premievrije deelnemers en de gepensioneerden:
| Gewezen deelnemers en pensioengerechtigden | Volledige toeslag- verlening |
Toegekende toeslagen |
Verschil | Cumulatief verschil (t.o.v. ambitie) |
||||
| 2019 | 1,71% | 0,00% | 1,71% | |||||
| 2020 | 1,52% | 0,00% | 1,52% | |||||
| 2021 | 1,53% | 0,00% | 1,53% | |||||
| 2022 | 10,69% | 1,00% | 9,59% | |||||
| 2023 | 4,50% | 2,25% | 2,20% | 15,83% |
Inhaaltoeslagen
Onder bepaalde omstandigheden kunnen inhaaltoeslagen worden toegekend. Inhaaltoeslagen zijn toeslagen die worden toegezegd, voor zover in het verleden niet voor 100% is geïndexeerd. Om inhaaltoeslagen te kunnen toekennen is een hoge dekkingsgraad vereist. Inhaaltoeslagen zijn daarom op korte termijn niet te verwachten. Het bestuur van het pensioenfonds geeft in haar jaarrekening elk jaar een specificatie van het verschil tussen de volledige en de werkelijk toegekende toeslagen.
Het pensioenfonds heeft in de ABTN vastgelegd dat uitvoering van het besluit tot compensatie van in het verleden gemiste indexaties en of in het verleden doorgevoerde kortingen moet geschieden binnen vijf jaar na het oorspronkelijke indexatie- of kortingsmoment. Indien de compensatie van de gemiste indexatie of in het verleden doorgevoerde korting niet binnen deze termijn kan worden toegekend, komt zij te vervallen.
Daarom is in de volgende twee tabellen enkel de inhaalindexatie opgenomen die aan de deelnemer toegekend zou kunnen worden mits het fonds daarvoor voldoende middelen heeft.
Toeslagen worden verleend over het boekjaar en toegekend met ingang van 1 januari van het volgend boekjaar.
Specificatie toeslagverlening actieven:
| Actieve deelnemers | Volledige toeslag- verlening |
Toegekende toeslagen |
Verschil | Cumulatief verschil (t.o.v. ambitie) |
||||
| 2019 | 1,71% | 0,00% | 1,71% | |||||
| 2020 | 1,52% | 0,00% | 1,52% | |||||
| 2021 | 1,53% | 0,00% | 1,53% | |||||
| 2022 | 10,69% | 1,00% | 9,59% | |||||
| 2023 | 4,50% | 2,25% | 2,20% | 15,83% |
Het toeslagpercentage is bepaald over het lopende boekjaar en gaat in per 1 januari van het daaropvolgende jaar.
6. Derivaten
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Derivaten | 40.960 | 93.663 | ||
| Totaal | 40.960 | 93.663 |
Een specificatie van de derivaten is opgenomen in de risicoparagraaf.
7. Overige schulden en overlopende passiva
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Beleggingscrediteuren | 139.272 | 18.610 | ||
| Belastingen en premie sociale verzekeringen | 2.207 | 2.806 | ||
| Overige schulden en overlopende passiva | 6.252 | 5.177 | ||
| Pensioenuitkeringen | 37 | 36 | ||
| Premiecrediteuren | 20 | 24 | ||
| Totaal | 147.788 | 26.653 |
Alle schulden hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.
De overige schulden bevatten voor € 1,9 miljoen een bedrag aan nog af te kopen klein pensioen (2022: € 1,9 miljoen).
| (bedragen x € 1.000) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Specificatie Beleggingscrediteuren | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||
| Nog af te wikkelen beleggingstransacties | 1.204 | 0 | ||
| Onderpand verplichtingen | 138.068 | 18.610 | ||
| Totaal | 139.272 | 18.610 |
9.6 Risicobeheer
Het fonds wordt bij het beheer van de pensioenverplichtingen en de financiering daarvan geconfronteerd met risico's. De belangrijkste doelstelling van het fonds is het nakomen van de pensioentoezeggingen. Het solvabiliteitsrisico is daarmee het belangrijkste risico voor het fonds.
- Beleggingsbeleid;
- Premiebeleid;
- Toeslagbeleid.
De keuze en toepassing van beleidsinstrumenten vindt plaats na uitvoerige analyses ten aanzien van te verwachten ontwikkelingen van de verplichtingen en de financiële markten. Daarbij wordt onder meer gebruikgemaakt van de continuïteitsanalyse en de Asset Liability Management-studie (ALM-Studie)
De uitkomsten van deze analyses vinden hun weerslag in jaarlijks door het bestuur vast te stellen beleggingsrichtlijnen die dienen als basis voor het te voeren beleggingsbeleid. De beleggingsrichtlijnen geven normen en limieten aan waarbinnen de uitvoering van het beleggingsbeleid door de vermogensbeheerders moet plaatsvinden. Deze uitgangspunten zijn vastgelegd in mandaatovereenkomsten met de vermogensbeheerders. De mandaten zijn gericht op actief vermogensbeheer.
Solvabiliteitsrisico's
Het belangrijkste risico voor het pensioenfonds betreft het solvabiliteitsrisico, ofwel het risico dat het pensioenfonds niet beschikt over voldoende vermogen ter dekking van de pensioenverplichtingen. De solvabiliteit wordt gemeten op basis van zowel algemeen geldende normen als specifieke normen die door de toezichthouder worden opgelegd.
Indien de solvabiliteit van het pensioenfonds zich negatief ontwikkelt, bestaat het risico dat het pensioenfonds de premie voor ondernemingen en deelnemers moet verhogen en het risico dat er geen ruimte beschikbaar is voor een eventuele toeslagverlening op opgebouwde pensioenrechten. In het uiterste geval kan het noodzakelijk zijn dat het pensioenfonds verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten moet verminderen.
De aanwezige dekkingsgraad heeft zich als volgt ontwikkeld:
| Ontwikkeling dekkingsgraad | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Dekkingsgraad per 1 januari | 112,4% | 103,0% | ||
| Premie | 0,7% | -0,4% | ||
| Uitkeringen | 0,4% | 0,1% | ||
| Toeslagen/korting | -2,6% | -1,0% | ||
| Wijziging rentetermijnstructuur | -3,3% | 47,0% | ||
| Rendement | 5,7% | -24,4% | ||
| Wijziging actuariële grondslagen | -0,3% | -0,9% | ||
| Wijziging uit hoofde overdracht van rechten | 0,0% | 0,0% | ||
| Overige mutaties | 0,1% | -11,0% | ||
| Dekkingsgraad per 31 december | 113,1% | 112,4% |
Om het solvabiliteitsrisico te beheersen dient het pensioenfonds buffers in het vermogen aan te houden. De omvang van deze buffers (buffers plus de pensioenverplichtingen heten samen het vereist vermogen) wordt vastgesteld met de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets (S-toets). Deze toets bevat een kwantificering van de bestuursvisie op de pensioenfondsspecifieke restrisico's (na afdekking).
Ultimo 2023 is aan de hand van het standaardmodel van de toezichthouder per risicofactor de vereiste solvabiliteit bepaald, die uitkomt op 115,4% (2022: 117,3%).
De berekening van het vereist eigen vermogen en het hieruit voortvloeiende tekort aan het einde van het boekjaar is als volgt:
| Vereist Eigen Vermogen | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| S1 Renterisico | 2,4% | 5,2% | ||
| S2 Risico zakelijke waarden | 11,5% | 11,7% | ||
| S3 Valutarisico | 3,1% | 3,4% | ||
| S4 Grondstoffenrisico | 0,0% | 0,0% | ||
| S5 Kredietrisico | 3,3% | 3,4% | ||
| S6 Verzekeringstechnisch risico | 3,3% | 3,3% | ||
| S7 Liquiditeitsrisico | 0,0% | 0,0% | ||
| S8 Concentratierisico | 0,0% | 0,0% | ||
| S9 Operationeel risico | 0,0% | 0,0% | ||
| S10 Actief beheerrisico | 0,0% | 0,5% | ||
| Diversificatie-effect | -8,2% | -10,2% | ||
| Vereist Eigen Vermogen per 31 december | 15,4% | 17,3% |
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Vereist pensioenvermogen | 4.247.046 | 4.030.305 | ||
| Voorziening pensioenverplichtingen | 3.680.542 | 3.435.191 | ||
| Vereist eigen vermogen | 566.504 | 595.114 | ||
| Aanwezig pensioenvermogen (Totaal activa -/- schulden) | 483.818 | 424.407 | ||
| Tekort/Tekort | -82.686 | -170.707 |
Beleggingsrisico
De belangrijkste beleggingsrisico's betreffen het markt-, krediet- en liquiditeitsrisico. Het marktrisico is uit te splitsen in renterisico, valutarisico en prijs(koers)risico. Marktrisico wordt gelopen op de verschillende beleggingsmarkten waarin het pensioenfonds op basis van het vastgestelde beleggingsbeleid actief is. De beheersing van het risico is geïntegreerd in het beleggingsproces. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid kunnen zich voorts risico's manifesteren uit hoofde van de geselecteerde managers en bewaarbedrijven (zogeheten manager- en custody-risico), en de juridische bepalingen omtrent gebruikte instrumenten en de uitvoeringsovereenkomst (juridisch risico). Het marktrisico wordt beheerst doordat met de vermogensbeheerder specifieke mandaten zijn afgesproken, die in overeenstemming zijn met de beleidskaders en richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld door het Bestuur. Het Bestuur monitort de mate van naleving van deze mandaten. De marktposities worden periodiek gerapporteerd.
Renterisico (S1)
Renterisico is het risico dat de waarde van de portefeuille vastrentende waarden en de waarde van de pensioenverplichtingen veranderen als gevolg van ongunstige veranderingen in de marktrente. Maatstaf voor het meten van rentegevoeligheid is de duration. De duration is de gewogen gemiddelde resterende looptijd in jaren.
Het beleid van het fonds is erop gericht om de 'duration mismatch', dat wil zeggen het looptijdverschil tussen de beleggingen en de pensioenverplichtingen te verkleinen. Hierdoor neemt het renterisico dat het pensioenfonds loopt af. Het beleid van het pensioenfonds is om het renterisico voor 75% af te dekken (2022: 60%). Hierbij worden grenzen van 70%-80% (2022: 55%-65%) gehanteerd. Het pensioenfonds realiseert dit bijvoorbeeld door meer langlopende obligaties te kopen in plaats van aandelen (aandelen hebben per definitie een duration van nul), binnen de portefeuille kortlopende obligaties vervangen door langlopende obligaties of door middel van renteswaps. Bij een renteswap wordt een vaste lange rente geruild tegen een variabele korte rente. Het pensioenfonds ontvangt in dit geval een lange rente, vergelijkbaar met de kasstroom van een langlopende obligatie en betaalt daarvoor een variabele korte rente (bijvoorbeeld Euribor).
De duratie en het effect van de renteafdekking kan als volgt worden samengevat:
| 31-12-2023 | 31-12-2022 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Waarde | Duration | Waarde | Duration | |||||
| Vastrentende waarden (excl. derivaten) | 2.783.260 | 5,3 | 2.466.814 | 4,6 | ||||
| (Nominale) pensioenverplichtingen | 3.680.542 | 19,5 | 3.435.191 | 19,9 |
De samenstelling van de vastrentende waarden naar looptijd is als volgt:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Resterende looptijd < 5 jaar | 1.442.797 | 51,8% | 1.927.902 | 78,2% | ||||
| Resterende looptijd 5 < > 10 jaar | 241.963 | 8,7% | 70.236 | 2,8% | ||||
| Resterende looptijd 10 < > 20 jaar | 395.265 | 14,2% | 287.691 | 11,7% | ||||
| Resterende looptijd > 20 jaar | 703.235 | 25,3% | 180.985 | 7,3% | ||||
| Totaal | 2.783.260 | 100,0% | 2.466.814 | 100,0% |
De presentatie van de vastrentende waarden in bovenstaande looptijden hangt samen met het langetermijnkarakter van de investeringen van het pensioenfonds en het hiermee samenhangende beleid en dient ter vergelijking met de looptijden van de verplichtingen zoals in onderstaand overzicht weergegeven.
De resterende looptijd van de verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Resterende looptijd < 5 jaar | 493.474 | 13,4% | 457.179 | 13,3% | ||||
| Resterende looptijd 5 < > 10 jaar | 531.060 | 14,4% | 473.953 | 13,8% | ||||
| Resterende looptijd 10 < > 20 jaar | 1.041.712 | 28,3% | 933.107 | 27,2% | ||||
| Resterende looptijd > 20 jaar | 1.614.296 | 43,9% | 1.570.951 | 45,7% | ||||
| Totaal | 3.680.542 | 100,0% | 3.435.191 | 100,0% |
Risico zakelijke waarden (S2)
Het zakelijkewaardenrisico is het risico dat de waarde van de zakelijke waarden (voornamelijk aandelen, beursgenoteerd indirect vastgoed en converteerbare obligaties) verandert door veranderingen in de marktprijzen voor deze waarden. Het structurele marktrisico wordt beheerst binnen het ALM-proces. Daarin wordt een zodanige beleggingsmix vastgesteld dat het marktrisico acceptabel is. De feitelijke beleggingsmix mag binnen vastgestelde bandbreedtes afwijken van de ALM-beleggingsmix. Voor de beheersing van het marktrisico in samenhang met het renterisico wordt gebruikgemaakt van derivaten.
Valutarisico (S3)
Voor zowel vastrentende waarden als aandelen wordt actief valutabeleid gevoerd. Uitgangspositie is tot maximaal 20% valutarisico voor vastrentende waarden. In de aandelenportefeuille wordt het valutarisico dat wordt gelopen op de posities in Amerikaanse dollar, het Britse pond en de Japanse yen afgedekt. Het percentage dat niet in euro's wordt belegd bedraagt ultimo 2023 circa 25,2% (2022: 28,0%) van de beleggingsportefeuille en is voor 13,4% (2022: 15,0%) afgedekt naar de euro. Onafgedekt is derhalve 11,7% (2022: 13,0%). Per einde boekjaar is de waarde van de uitstaande valutatermijncontracten € 12,8 miljoen (2022: € 18,6 miljoen).
Een restrisico betreft de categorie overige valuta; deze valuta betreffen onder andere Noorse Kronen. Het bestuur heeft besloten om deze risico's niet af te dekken. In de solvabiliteitstoets van het fonds is in de buffers voor het valutarisico rekening gehouden met bovenstaande valutaposities en afdekkingen.
De valutapositie per 31 december 2023 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:
| 31-12-2023 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2023 | Totaal voor afdekking | Valutaderivaten afdekking | Nettopositie na afdekking |
|||
| EUR | 3.203.633 | 586.668 | 3.790.301 | |||
| GBP | 25.967 | -54.104 | -28.137 | |||
| JPY | 47.908 | -43.907 | 4.001 | |||
| USD | 802.123 | -475.808 | 326.315 | |||
| Overige | 201.082 | 0 | 201.082 | |||
| Totaal | 4.280.713 | 12.849 | 4.293.562 |
De valutapositie van de beleggingen per 31 december 2022 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:
| 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2022 | Totaal voor afdekking | Valutaderivaten afdekking | Netto positie na afdekking |
|||
| EUR | 2.775.289 | 594.207 | 3.369.496 | |||
| GBP | 35.726 | -35.294 | 432 | |||
| JPY | 53.849 | -50.069 | 3.780 | |||
| USD | 776.888 | -490.224 | 286.664 | |||
| Overige | 212.972 | 0 | 212.972 | |||
| Totaal | 3.854.724 | 18.620 | 3.873.344 |
Een restrisico betreft de categorie overige valuta; deze valuta betreffen valuta in opkomende markten en/of hebben een correlatie met de USD. Het Bestuur heeft besloten om deze risico's niet af te dekken.
In de solvabiliteitstoets van het pensioenfonds is in de buffers voor het valutarisico rekening gehouden met bovenstaande valutaposities en afdekkingen.
Prijsrisico
Prijsrisico is het risico van waarde wijzigingen door de ontwikkeling van marktprijzen. Het wordt veroorzaakt door factoren gerelateerd aan een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren.
Het prijsrisico wordt gemitigeerd door diversificatie die onder meer is vastgelegd in de strategische beleggingsmix van het pensioenfonds. In aanvulling hierop maakt het pensioenfonds voor afdekking van het prijsrisico gebruik van afgeleide financiële instrumenten (derivaten), zoals opties en futures.
Naast de strategische mix heeft het fonds in het mandaat aan de vermogensbeheerders richtlijnen gesteld aan het maximale percentage dat namens het fonds in een sector, land of tegenpartij mag worden belegd. Naleving van deze richtlijnen vindt plaats door de beleggingscommissie op basis van periodieke rapportages die door de vermogensbeheerder worden verstrekt.
De segmentatie van de aandelen naar regio is als volgt:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Europa EU | 233.717 | 20,2% | 242.138 | 21,2% | ||||
| Europa non-EU | 29.302 | 2,5% | 23.338 | 2,0% | ||||
| Noord-Amerika | 683.092 | 58,9% | 664.391 | 58,3% | ||||
| Zuid-Amerika | 9.254 | 0,8% | 8.923 | 0,8% | ||||
| Zuidoost Azië | 158.227 | 13,6% | 169.400 | 14,9% | ||||
| Midden-Oosten | 5.532 | 0,5% | 3.018 | 0,3% | ||||
| Overige beleggingen | 40.629 | 3,5% | 28.584 | 2,5% | ||||
| Totaal | 1.159.753 | 100,0% | 1.139.792 | 100,0% |
Grondstoffenrisico (S4)
Pensioenfondsen die beleggen in grondstoffen (commodities) lopen het risico dat de waarde van deze beleggingen daalt.
Kredietrisico (S5)
Kredietrisico is het risico van financiële verliezen voor het fonds als gevolg van faillissement of betalingsonmacht van tegenpartijen waarop het fonds (potentiële) vorderingen heeft. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan partijen die obligatieleningen uitgeven, banken waar deposito's worden geplaatst, marktpartijen waarmee Over The Counter (OTC)-derivatenposities worden aangegaan.
Een voor beleggingsactiviteiten specifiek onderdeel van kredietrisico is het settlementrisico. Dit heeft betrekking op het risico dat partijen waarmee het fonds transacties is aangegaan niet meer in staat zijn hun tegenprestatie te verrichten waardoor het fonds financiële verliezen lijdt.
Beheersing van dit risico door het fonds vindt plaats door het stellen van limieten aan tegenpartijen op totaalniveau, dat wil zeggen met inachtneming van alle posities die een tegenpartij heeft jegens het fonds; het vragen van extra zekerheden zoals onderpand en dergelijke bij hypothecaire geldleningen en het uitlenen van effecten; het hanteren van prudente verstrekkingsnormen bij hypothecaire geldleningen. Ter afdekking van het settlementrisico wordt door het fonds enkel belegd in markten waar een voldoende betrouwbaar clearing- en settlementsysteem functioneert. Voordat in nieuwe markten wordt belegd, wordt eerst onderzoek gedaan naar de waarborgen op dit gebied. Met betrekking tot niet-beursgenoteerde beleggingen, met name OTC-derivaten, wordt door het fonds enkel gewerkt met tegenpartijen waarmee ISDA/CSA overeenkomsten zijn afgesloten zodat posities van het fonds adequaat worden afgedekt door onderpand.
De samenstelling van de vastrentende waarden naar regio's kan als volgt worden samengevat:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Europa EU | 2.125.559 | 76,4% | 1.616.448 | 65,5% | ||||
| Europa non-EU | 57.480 | 2,1% | 45.004 | 1,8% | ||||
| Noord-Amerika | 235.368 | 8,5% | 205.240 | 8,3% | ||||
| Zuid-Amerika | 949 | 0,0% | 58.698 | 2,4% | ||||
| Zuidoost Azië | 84.771 | 3,0% | 68.765 | 2,8% | ||||
| Midden-Oosten | 1.654 | 0,1% | 16.869 | 0,7% | ||||
| Overige beleggingen | 277.479 | 10,0% | 455.790 | 18,5% | ||||
| Totaal | 2.783.260 | 100,0% | 2.466.814 | 100,0% |
De samenstelling van de vastrentende waarden naar sectoren is als volgt:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Nederlandse overheidsinstellingen | 234.077 | 8,4% | 252.911 | 10,3% | ||||
| Buitenlandse overheidsinstellingen | 445.628 | 16,0% | 142.206 | 5,8% | ||||
| Financiële dienstverlening | 2.012.453 | 72,3% | 1.948.267 | 79,0% | ||||
| Nijverheid en industrie | 35.181 | 1,3% | 43.915 | 1,8% | ||||
| Overige | 55.921 | 2,0% | 79.515 | 3,2% | ||||
| Totaal | 2.783.260 | 100,0% | 2.466.814 | 100,0% |
De kredietwaardigheid van veel marktpartijen wordt ook door rating agencies beoordeeld. De samenvatting van de vastrentende waarden op basis van de ratings zoals eind 2023 gepubliceerd door Standard & Poor's is als volgt:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| AAA | 517.143 | 18,6% | 469.986 | 19,1% | ||||
| AA | 546.690 | 19,6% | 410.289 | 16,6% | ||||
| A | 205.007 | 7,4% | 194.165 | 7,9% | ||||
| BBB | 257.512 | 9,3% | 275.181 | 11,2% | ||||
| Lager dan BBB | 201.433 | 7,2% | 199.249 | 8,1% | ||||
| Geen rating | 1.055.475 | 37,9% | 917.944 | 37,2% | ||||
| Totaal | 2.783.260 | 100,0% | 2.466.814 | 100,0% |
Verzekeringstechnische risico's (actuariële risico's, S6)
Het verzekeringstechnische risico is het risico dat voortvloeit uit mogelijke afwijkingen van actuariële inschattingen die worden gebruikt voor de vaststelling van de technische voorzieningen en de hoogte van de premie. De belangrijkste actuariële risico's zijn de risico's van langleven, overlijden (kortleven), arbeidsongeschiktheid en het toeslagrisico.
Langlevenrisico
Het langlevenrisico is het belangrijkste verzekeringstechnische risico. Langlevenrisico is het risico dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld verondersteld wordt bij de bepaling van de voorziening pensioenverplichtingen. Als gevolg hiervan volstaat de opbouw van het pensioenvermogen niet voor de uitkering van de pensioenverplichting. Door toepassing van prognosetafels met adequate correcties voor ervaringssterfte is het langlevenrisico nagenoeg geheel verdisconteerd in de waardering van de pensioenverplichtingen.
Overlijdensrisico
Het overlijdensrisico betekent dat het pensioenfonds in geval van overlijden mogelijk een nabestaandenpensioen moet toekennen waarvoor door het pensioenfonds geen voorzieningen zijn getroffen. Dit risico kan worden uitgedrukt in risicokapitalen.
Arbeidsongeschiktheidsrisico
Het arbeidsongeschiktheidsrisico betreft het risico dat het fonds voorzieningen moet treffen voor premievrijstelling bij invaliditeit en het toekennen van een arbeidsongeschiktheidspensioen ('schadereserve'). Voor dit risico wordt jaarlijks een risicopremie in rekening gebracht. Het verschil tussen de risicopremie en de werkelijke kosten wordt verwerkt via het resultaat. De actuariële uitgangspunten voor de risicopremie worden periodiek herzien.
Het fonds heeft deze risico's overwogen en verwerkt in de buffer voor het verzekeringstechnische risico ultimo 2023.
Liquiditeitsrisico (S7)
Liquiditeitsrisico is het risico dat beleggingen niet tijdig en/of niet tegen een aanvaardbare prijs kunnen worden omgezet in liquide middelen, waardoor het pensioenfonds op korte termijn niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Waar de overige risicocomponenten vooral de langere termijn betreffen (solvabiliteit), gaat het hierbij om de kortere termijn. Dit risico kan worden beheerst door in het strategische en tactische beleggingsbeleid voldoende ruimte aan te houden voor de liquiditeitsposities. Er moet eveneens rekening worden gehouden met de directe beleggingsopbrengsten en andere inkomsten zoals premies.
Concentratierisico (S8)
Concentraties kunnen ertoe leiden dat het pensioenfonds bij grote veranderingen in bijvoorbeeld de waardering (marktrisico) of de financiële positie van een tegenpartij (kredietrisico) grote (veelal financiële) gevolgen hiervan ondervindt. Concentratierisico's kunnen optreden bij een concentratie in de beleggingsportefeuille in producten, regio's of landen, economische sectoren of tegenpartijen. Naast concentraties in de beleggingsportefeuille kan ook sprake zijn van concentraties in de verplichtingen en de uitvoering.
Om concentratierisico's in de beleggingsportefeuille te beheersen maakt het bestuur gebruik van diversificatie en limieten voor beleggen in landen, regio's, sectoren en tegenpartijen. Deze uitgangspunten zijn door het pensioenfonds vastgesteld op basis van de ALM-studie. De uitgangspunten zijn vastgelegd in de contractuele afspraken met de vermogensbeheerders en het Bestuur monitort op kwartaalbasis de naleving hiervan.
De spreiding in de beleggingsportefeuille is weergegeven in de tabel die is opgenomen bij de toelichting op het kredietrisico. Grote posten kunnen een post van concentratierisico zijn. Om te bepalen welke posten dit betreft worden per beleggingscategorie alle instrumenten met dezelfde debiteur opgeteld. Als grote post wordt aangemerkt elke post die meer dan 2% van het balanstotaal uitmaakt. Ultimo 2023 zijn de volgende posten met meer dan 2% van het balanstotaal aanwezig:
| (bedragen x € 1.000) | 31-12-2023 | 31-12-2022 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Staatsobligaties Nederland | 336.502 | 7,7% | 257.436 | 6,5% | ||||
| Staatsobligaties Duitsland | 79.533 | 1,8% | 119.941 | 3,0% | ||||
| AEGON NV | 321.180 | 7,4% | 315.140 | 7,9% | ||||
| ASR Nederland NV | 137.641 | 3,2% | 131.324 | 3,3% | ||||
| Totaal | 874.856 | 20,1% | 823.841 | 20,7% |
Operationeel risico (S9)
Operationeel risico is het risico van een onjuiste afwikkeling van transacties, fouten in de verwerking van gegevens, het verloren gaan van informatie, fraude en dergelijke. Deze risico's worden door het fonds beheerst door het stellen van hoge kwaliteitseisen aan de organisaties die bij de uitvoering zijn betrokken.
De beleggingsportefeuille is bij Goldman Sachs Asset Management ondergebracht. Deze partij is de Fiduciair Manager. Met Goldman Sachs Asset Management is een overeenkomst en een service level agreement gesloten. De afhankelijkheid van deze partij wordt beheerst doordat de bewaring van de stukken uit de portefeuille is ondergebracht bij custodian Bank of New York Mellon.
De pensioenuitvoering is uitbesteed aan pensioenuitvoerder TKP Pensioen B.V. Met TKP Pensioen B.V. is een uitbestedingsovereenkomst en een service level agreement (SLA) gesloten.
Het bestuur beoordeelt jaarlijks de kwaliteit van de uitvoering van de vermogensbeheerders, custodian en TKP door middel van performancerapportages (alleen vermogensbeheerders), SLA-rapportages, In Control Statement (TKP) en onafhankelijk getoetste interne beheersingsrapportages (ISAE 3402 type II-rapportages).
Aangezien hiermee sprake is van adequate beheersing van de operationele risico's worden door het fonds hiervoor geen buffers aangehouden in de solvabiliteitstoets.
Actief beheerrisico (S10)
Een actief beheerrisico ontstaat wanneer met het beleggingsbeleid binnen de beleggingscategorieën afgeweken wordt van het beleid volgens de benchmark. Een maatstaf voor de mate waarin sprake is van actief beheer is de zogenaamde 'tracking error'. De tracking error geeft aan hoe groot de afwijkingen van het rendement kunnen zijn ten opzichte van het benchmarkrendement. Hoe hoger de tracking error, hoe hoger het actief beheerrisico.
Het fonds heeft voor de verschillende aandelenmandaten limieten opgesteld voor de tracking error en de toegestane afwijkingen van de benchmark. Deze limieten zijn onderdeel van de contracten met de vermogensbeheerders. De betreffende vermogensbeheerders hebben aan deze richtlijnen voldaan.
Systeemrisico
Systeemrisico betreft het risico dat het mondiale financiële systeem (de internationale markten) niet langer naar behoren functioneert, waardoor beleggingen van het pensioenfonds niet langer verhandelbaar zijn en zelfs, al dan niet tijdelijk, hun waarde kunnen verliezen. Net als voor andere marktpartijen, is dit risico voor het pensioenfonds niet beheersbaar. Het systeemrisico maakt geen onderdeel uit van de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets.
Derivaten
Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt gebruikgemaakt van financiële derivaten. Hoofdregel die hierbij geldt, is dat derivaten uitsluitend worden gebruikt voor zover dit passend is binnen het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Derivaten worden hoofdzakelijk gebruikt om de hiervoor vermelde vormen van marktrisico mogelijk af te dekken.
Derivaten hebben als voornaamste risico het kredietrisico. Dit risico wordt beperkt door alleen transacties aan te gaan met goed te boek staande partijen en door zoveel mogelijk te werken met onderpand.
- Futures: dit zijn standaard beursgenoteerde instrumenten waarmee snel posities kunnen worden gewijzigd. Futures worden gebruikt voor het tactische beleggingsbeleid. Tactisch beleggingsbeleid is slechts zeer beperkt mogelijk binnen de grenzen van het strategische beleggingsbeleid.
- Valutatermijncontracten: dit zijn met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het verkopen van een valuta en de aankoop van een andere valuta, tegen een vooraf vastgestelde prijs en op een vooraf vastgestelde datum. Door middel van valutatermijncontracten worden valutarisico's afgedekt.
- Renteswaps: dit betreft met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het uitwisselen van rentebetalingen over een nominale hoofdsom. Door middel van swaps kan het pensioenfonds de rentegevoeligheid van de portefeuille beïnvloeden.
Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de derivatenpositie op 31 december 2022:
| Type contract | Gemiddelde looptijd in jaren | Contract- omvang |
Saldo waarde |
Positieve waarde | Negatieve waarde |
|||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rentederivaten | 23,0 | 1.731.500 | 95.483 | 134.253 | 38.770 | |||||
| Valutaderivaten | 0,1 | -573.880 | 12.849 | 14.957 | 2.108 | |||||
| Futures | 0,2 | 25.372 | 188 | 270 | 82 | |||||
| Vorderingen inzake derivaten | 0 | 0 | 0 | 0 | ||||||
| Totaal | 1.182.992 | 108.520 | 149.480 | 40.960 |
Ultimo 2023 zijn zekerheden ontvangen voor de swaps voor een bedrag van € 15.800 (2022: € 18.610) en zekerheden gesteld van € - (2022: € -).
Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de derivatenpositie op 31 december 2021:
| Type contract | Gemiddelde looptijd in jaren | Contract- omvang |
Saldo waarde |
Positieve waarde | Negatieve waarde |
|||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rentederivaten | 24,7 | 997.050 | -51.197 | 40.721 | 91.918 | |||||
| Valutaderivaten | 0,1 | -575.472 | 18.620 | 19.545 | 925 | |||||
| Futures | 0,2 | -6.658 | -142 | 678 | 820 | |||||
| Vorderingen inzake derivaten | 0 | 1.402 | 1.402 | 0 | ||||||
| Totaal per 31 december | 414.920 | -31.317 | 62.346 | 93.663 |
9.7 Niet in de balans opgenomen regelingen
Langlopende contractuele verplichtingen
Het fonds heeft een uitbestedingsovereenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten met TKP Pensioen BV met een opzegtermijn van één jaar. De vergoeding voor 2024 bedraagt circa € 6,4 miljoen.
Met Goldman Sachs Asset Management (GSAM) is een overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten voor het fiduciair beheer, met een opzegtermijn van 3 maanden voor het bestuur. De opzegtermijn voor GSAM is 12 maanden. De vergoeding voor 2024 bedraagt circa € 1,5 miljoen.
Ook is een overeenkomst voor onbepaalde termijn gesloten met de custodian Bank of New York Mellon met een opzegtermijn van 90 dagen. De vergoeding voor 2024 bedraagt circa € 0,5 miljoen.
Tenslotte heeft het fonds met Ortec Finance een overeenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten met een opzegtermijn van 90 dagen. De vergoeding voor 2024 bedraagt circa € 0,4 miljoen.
Investeringsverplichtingen
Vooruitlopend op verwachte inkomende kasstromen bestaan er per balansdatum de volgende investerings-en stortingsverplichtingen (zogenaamde voorbeleggingen):
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Private equity | 64.210 | 80.813 | ||
| Totaal per 31 december | 64.210 | 80.813 | ||
Voorwaardelijke verplichtingen
In 2018 is een claim financieel afgewikkeld.
Onderdeel van de afwikkeling is een voorwaardelijke terugbetaalverplichting voor de duur van 10 jaar. Hiertoe zijn obligaties verpand t.b.v. € 5.500 voor de duur van tien jaar eindigend op 15 januari 2028.
9.8 Verbonden partijen
Identiteit van verbonden partijen
Er is sprake van een relatie tussen Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf, de aangesloten werkgevers en de bestuurders van Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf. Voor zover van toepassing zijn transacties met verbonden partijen tegen marktconforme voorwaarden gerealiseerd.
Transacties met (voormalige) bestuurders
Inzake de beloning van bestuurders wordt verwezen naar de staat van baten en lasten bij de pensioenuitvoeringskosten. Er zijn geen leningen verstrekt aan, noch is er sprake van vorderingen op, (voormalige) bestuurders.
9.9 Toelichting op de staat van baten en lasten over 2023
8. Premiebijdragen voor risico pensioenfonds
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Pensioenpremie huidig jaar | 112.971 | 106.021 | ||
| Pensioenpremie voorgaande jaren | 1.066 | 243 | ||
| Totaal | 114.037 | 106.264 |
De premieopbrengsten zijn niet gesplitst naar een werkgevers- en een werknemersdeel, omdat de totale premie volgens overeenkomst aan de werkgevers in rekening wordt gebracht. Een deel van de premie wordt door de werkgevers ingehouden op het salaris van de werknemers. Aangezien er geen directe relatie is tussen het werkgevers-en het werknemersdeel, worden deze niet afzonderlijk weergegeven.
De totale bijdrage van werkgever en werknemers bedraagt 26,9% (2022: 25,8%) van de pensioengrondslag (het salaris minus de franchise van € 16.322) (2022: € 14.802). De kostendekkende, gedempte en feitelijke premie zijn als volgt:
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Zuiver kostendekkende premie | 93.629 | 133.930 | ||
| Gedempte kostendekkende premie | 110.326 | 100.950 | ||
| Feitelijke premie | 112.971 | 106.021 |
Toelichting feitelijke premie:
De opgelegde premie over 2023 bedraagt € 112.971 (2022: € 106.021). Deze premie is hoger dan de gedempte premie en lager dan de zuiver kostendekkende premie. Het pensioenfonds maakt gebruik van de mogelijkheid te premie te dempen.
Specificatie Zuiver kostendekkende premie
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke delen pensioenopbouw | 67.549 | 102.371 | ||
| Opslag voor instandhouding van het vereist eigen vermogen | 12.797 | 16.609 | ||
| Opslag voor uitvoeringskosten | 6.859 | 8.053 | ||
| Actuarieel benodigd voor risicodekking | 6.424 | 6.897 | ||
| Totaal | 93.629 | 133.930 |
Specificatie Feitelijke premie
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke delen pensioenopbouw | 67.260 | 64.883 | ||
| Opslag voor instandhouding van het vereist eigen vermogen en voorwaardelijke onderdelen van de pensioenopbouw | 45.711 | 41.138 | ||
| Totaal | 112.971 | 106.021 |
Specificatie Gedempte kostendekkende premie
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke delen pensioenopbouw | 89.481 | 81.410 | ||
| Opslag voor instandhouding van het vereist vermogen | 8.774 | 7.868 | ||
| Opslag voor uitvoeringskosten | 6.859 | 8.053 | ||
| Actuarieel benodigd voor risicodekking | 5.212 | 3.619 | ||
| Totaal | 110.326 | 100.950 |
Het verschil tussen de zuivere kostendekkende premie en de gedempte premie wordt veroorzaakt doordat de actuarieel benodigde koopsom van de zuivere kostendekkende premie vastgesteld is op basis van de rentetermijnstructuur per 31 december 2022 en die van de gedempte kostendekkende premie op basis van de reële rendementscurve per 30 september 2020 met een afslag voor indexatie. De reële rendementscurve staat in beginsel voor een periode van vijf jaar vast.
De koopsom voor risicodekking behelst de koopsom voor het overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsrisico.
Bij de bepaling van de aan het boekjaar toe te rekenen premie is rekening gehouden met verleende premiekortingen en/of premieopslagen. In het boekjaar is geen korting verstrekt of opslag in rekening gebracht.
Van de opgelegde premie is de verbijzondering naar de diverse componenten zoals weergegeven bij de specificatie van de kostendekkende premie niet beschikbaar.
9. Beleggingsresultaten risico pensioenfonds
| (bedragen x € 1.000) | Directe beleggings- opbrengsten |
Indirecte beleggings- opbrengsten |
Kosten vermogensbeheer | Totaal | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2023 | ||||||||||
| Vastgoedbeleggingen | 6.477 | -27.922 | 0 | -21.445 | ||||||
| Aandelen | 39.808 | 142.137 | -3.322 | 178.623 | ||||||
| Vastrentende waarden | 59 | 107.802 | -438 | 107.423 | ||||||
| Derivaten | 177 | 65.752 | 0 | 65.929 | ||||||
| Overige beleggingen | 37 | 0 | 0 | 37 | ||||||
| Overige kosten vermogensbeheer | -1.298 | -1.298 | ||||||||
| Totaal | 46.558 | 287.769 | -5.058 | 329.269 |
| (bedragen x € 1.000) | Directe beleggings- opbrengsten |
Indirecte beleggings- opbrengsten |
Kosten vermogensbeheer | Totaal | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2022 | ||||||||||
| Vastgoedbeleggingen | 7.297 | 7.941 | 0 | 15.238 | ||||||
| Aandelen | 31.098 | -163.905 | -3.758 | -136.565 | ||||||
| Vastrentende waarden | 24.314 | -444.345 | -555 | -420.586 | ||||||
| Derivaten | 1.768 | -683.527 | 0 | -681.759 | ||||||
| Overige beleggingen | -31 | -8 | 0 | -39 | ||||||
| Overige kosten vermogensbeheer | -2.161 | -2.161 | ||||||||
| Totaal | 64.446 | -1.283.844 | -6.474 | -1.225.872 |
10. Overige baten
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Intrestbaten | 323 | 0 | ||
| Andere baten | 18 | 4 | ||
| Totaal | 341 | 4 |
De andere baten betreffen diverse slotuitkeringen inzake faillissementen.
11. Pensioenuitkeringen
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Ouderdomspensioen | 74.908 | 71.897 | ||
| Partnerpensioen | 19.946 | 19.796 | ||
| Wezenpensioen | 191 | 206 | ||
| Afkopen | 3.252 | 3.404 | ||
| Totaal | 98.297 | 95.303 |
De post afkopen betreft de afkoop van pensioenen die lager zijn dan 50% van de wettelijke afkoopgrens. De wettelijke afkoop grens was in 2023 € 594,89 (2022: € 520,35) per jaar.
12. Pensioenuitvoeringskosten
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Bestuurskosten | 560 | 469 | ||
| Kosten raad van toezicht en verantwoordingsorgaan | 145 | 165 | ||
| Administratiekostenvergoeding | 6.262 | 6.599 | ||
| Accountantskosten | 116 | 91 | ||
| Certificerend actuaris | 51 | 52 | ||
| Adviserend actuaris | 93 | 61 | ||
| Overige advieskosten | 470 | 125 | ||
| Contributies en bijdragen | 594 | 467 | ||
| Risicomanagement | 396 | 380 | ||
| Dwangsommen en boetes | 0 | 0 | ||
| Overige pensioenuitvoeringskosten | 111 | 113 | ||
| Project Wet toekomst pensioenen | 1.549 | 533 | ||
| Communicatiekosten | 431 | 235 | ||
| Totaal | 10.778 | 9.290 |
De stijging van de pensioenuitvoeringskosten in 2023 worden met name verklaart door kosten die samenhangen met de voorbereidende werkzaamheden rondom het nieuwe pensioenstelsel. Dit jaar bedroegen deze kosten € 1.549 ten opzichte van € 533 in 2022. Daarnaast is sprake van een toename van kosten op het gebied van advieskosten, communicatie, contributies en bijdragen en governance.
In de bestuurskosten, kosten van het verantwoordingsorgaan en raad van toezicht zijn de vergoedingen aan de leden opgenomen.
| Governancekosten | ||||
|---|---|---|---|---|
| Vergoeding bestuur | 433 | 376 | ||
| Vergoeding raad van toezicht | 67 | 61 | ||
| Vergoeding verantwoordingsorgaan | 72 | 78 | ||
| 572 | 515 |
Specificatie Accountantskosten
| (bedragen x € 1.000) | Onafhankelijke accountant | Overige netwerk | Totaal | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2023 | ||||||
| Controle van de jaarrekening | 108 | 0 | 108 | |||
| Andere niet-controlediensten | 0 | 0 | 0 | |||
| Totaal | 108 | 0 | 108 |
| (bedragen x € 1.000) | Onafhankelijke accountant | Overige netwerk | Totaal | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2022 | ||||||
| Controle van de jaarrekening | 98 | 0 | 98 | |||
| Andere niet-controlediensten | 0 | 0 | 0 | |||
| Totaal | 98 | 0 | 98 |
Aantal personeelsleden
Bij het pensioenfonds zijn evenals voorgaand jaar geen werknemers in dienst.
13. Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Pensioenopbouw | 67.549 | 102.371 | ||
| Toeslagverlening | 80.834 | 33.866 | ||
| Rentetoevoeging | 109.926 | -23.937 | ||
| Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten | -101.706 | -98.270 | ||
| Wijziging marktrente | 106.516 | -1.550.051 | ||
| Wijziging actuariële grondslagen | 10.465 | 31.983 | ||
| Wijziging uit hoofde overdracht van rechten | -30.822 | -12.859 | ||
| Overige mutaties | 2.589 | 4.171 | ||
| Totaal | 245.351 | -1.512.726 |
14. Saldo overdracht van rechten
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Ontvangen waardeoverdrachten | -3.227 | -468 | ||
| Ontvangen WOD KP | -12.882 | -9.268 | ||
| Uitgaande waardeoverdrachten | 9.541 | 16.379 | ||
| Uitgaande WOD KP | 36.260 | 6.981 | ||
| Totaal | 29.692 | 13.624 |
Waardeoverdracht betreft de ontvangst van of overdracht aan het pensioenfonds of de pensioenverzekeraar van respectievelijk de vorige of nieuwe werkgever van de contante waarde van premievrije pensioenaanspraken van deelnemers, die tot de ontslagdatum zijn opgebouwd.
15. Overige lasten
| (bedragen x € 1.000) | 2023 | 2022 | ||
|---|---|---|---|---|
| Andere lasten | 0 | 10 | ||
| Interest lasten overig | 29 | 28 | ||
| Dotatie voorziening oninbare vorderingen | 89 | 726 | ||
| Totaal | 118 | 764 |
9.10 Gebeurtenissen na balansdatum
Er zijn geen gebeurtenissen na balansdatum die impact kunnen hebben op de jaarrekening.
Groningen, 19 juni 2024
Bestuur
R. Barnhoorn
C.M.W. Bongers-Hekking
R. Dik
W.J.A. Jacobs
W. Kannegieter
P. Mannaert
J. Matelski
J.G.M. van Ophem
M.W. van Straten
De raad van toezicht heeft een goedkeuringsrecht op het besluit van het bestuur om het jaarverslag vast te stellen. Dat betekent niet dat de raad van toezicht het jaarverslag goedkeurt, maar wel dat de raad van toezicht heeft geconstateerd dat het vaststellingsbesluit van het bestuur op goede gronden is genomen. Als bevestiging hiervan heeft de raad van toezicht het jaarverslag ondertekend.
Raad van toezicht
B. Kramer
W.J.J. Ong
J.M. Plat