Financiële positie, beleid, risicobeheer en interne audit
3.1 Financiële opzet en positie
Dekkingsgraad
De dekkingsgraad is een belangrijke maatstaf voor de financiële positie van een pensioenfonds. Het geeft het pensioenvermogen als percentage van de contante waarde van de pensioenverplichtingen weer. De dekkingsgraad kan wijzigen door diverse factoren, zoals de ontwikkeling van het beleggingsresultaat, verzekeringstechnische ontwikkelingen en de ontwikkeling van de marktrente. De beleidsdekkingsgraad wordt berekend als het gemiddelde van de twaalf maanddekkingsgraden naar de meest actuele inzichten. De beleidsdekkingsgraad is ultimo 2024 116,9% (2023: 115,7%). Het vereist eigen vermogen is eind 2024 115,0%. Daarom is eind 2024 sprake van toereikende solvabiliteit.
Herstelplan
Ultimo 2023 was de beleidsdekkingsgraad van het pensioenfonds 115,7% en lag daarmee boven de dekkingsgraad van 115,4% die behoort bij het vereist eigen vermogen. Daarmee was het pensioenfonds in 2023 uit herstel en hoefde door het pensioenfonds in 2024 geen herstelplan meer ingediend te worden.
Ook ultimo 2024 lag de beleidsdekkingsgraad (116,9%) boven de dekkingsgraad die bij het vereist eigen vermogen hoort (115,0%).
De ontwikkeling van de actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds gedurende het jaar wordt hieronder weergegeven. Dit verloop is opgesteld op basis van een stap-voor-stap methodiek waarbij per onderdeel het volledig effect op de dekkingsgraad is doorgerekend ten opzichte van de uitkomst van het voorgaande onderdeel.
| 2024 | 2023 | |
|---|---|---|
| Dekkingsgraad 1 januari | 113,1% | 112,4% |
| Effect premies | 0,2% | 0,7% |
| Effect uitkeringen | 0,4% | 0,4% |
| Effect toeslagverlening | -2,5% | -2,6% |
| Effect wijziging rente | -2,6% | -3,3% |
| Effect beleggingsresultaat | 7,2% | 5,7% |
| Effect aanpassing actuariële grondslagen | -0,2% | -0,3% |
| Wijziging uit hoofde overdracht van rechten | 0,0% | 0,0% |
| Effect overige oorzaken | -0,1% | 0,1% |
| Dekkingsgraad 31 december | 115,5% | 113,1% |
Effect premies
De premiemarge (feitelijke premie verminderd met benodigde premie voor inkoop van pensioenaanspraken) heeft in 2024 een positief effect van circa 0,2%-punt gehad op de actuele dekkingsgraad.
Effect toeslagverlening
In 2024 is door het bestuur besloten om 2,3% toeslag toe te kennen per 1 januari 2025. Omdat het besluit in 2024 is genomen is de toeslag verwerkt in de voorziening voor pensioenverplichtingen voor het risico van het pensioenfonds ultimo 2024. Dit heeft een negatief effect op de actuele dekkingsgraad van 2,5%-punt.
Effect wijziging rente
De wijziging van de rentetermijnstructuur (RTS) heeft een negatief effect gehad op de dekkingsgraad van 2,6%-punt. Het rente-effect op de beleggingen is meegenomen onder het beleggingsresultaat.
Effect beleggingsresultaat
Het nettorendement, inclusief het rendement door afdekking van de rente, bedroeg in 2024 10,0%. Dit rendement was (na aftrek van beleggingskosten) hoger dan het rendement benodigd om de aangroei van de voorziening te financieren (2,330%). De dekkingsgraad is hierdoor met 7,2%-punt toegenomen.
Effect aanpassing actuariële grondslagen
- Ultimo 2024 zijn de volgende grondslagwijzigingen voor in totaal € 8.913 duizend doorgevoerd waarvan het totaaleffect op de dekkingsgraad -0,2%-punt is.
- Overstap van Prognosetafel AG2022 naar Prognosetafel AG2024. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 7.075 duizend. Het effect hiervan op de dekkingsgraad is 0,1%-punt positief.
- Overstap van ervaringssterftecorrectie 2022 naar ervaringssterftecorrectie 2024. Dit leidt tot een stijging van de voorziening pensioenverplichtingen met € 17.385 duizend en heeft een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,4%-punt.
- Overstap van de partnerfrequentie CBS 2022 inclusief samenwonend naar partnerfrequentie CBS 2024 inclusief samenwonend. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 431 duizend en heeft een positief effect de dekkingsgraad van 0,0%-punt.
- Overstap van een wezenopslag op onbepaald partnerpensioen van 0,48% naar 0,45%. Dit leidt tot een daling van de voorziening pensioenverplichtingen met € 966 duizend en een bijbehorende effect op de dekkingsgraad van 0,0%-punt.
Effect overige oorzaken
Onder overig worden de effecten op de dekkingsgraad als gevolg van wijzigingen inzake waardeoverdrachten, kosten, sterfte, arbeidsongeschiktheid en overige mutaties en correcties verwerkt. Daarnaast spelen kruiseffecten tussen de verschillende oorzaken een rol. Bij het analyseren van de invloed van verschillende factoren op het resultaat, wordt het effect van een factor afgezonderd van het effect van de andere factoren, waarbij deze andere factoren constant worden gehouden. Het gecombineerde effect van verschillende factoren kan dan afwijken van de som van de samenstellende delen. Dit verschil wordt veroorzaakt, doordat de factoren niet alleen invloed hebben op het eindresultaat, maar ook op elkaar. Dit verschijnsel wordt kruiseffect genoemd. Gezamenlijk heeft dit in 2024 een negatief effect van 0,3%-punt op de dekkingsgraad gehad.
3.2 Beleid en beleidskeuzes
Het bestuur heeft beleid ontwikkeld op het gebied van financiering, beleggingen en toeslagen om de risico’s en de financiële positie van het pensioenfonds te beheersen. Bij het maken van beleidskeuzes worden de belangen van alle belanghebbenden evenwichtig afgewogen. Het bestuur hanteert hiervoor ten behoeve van alle belangrijke besluiten - bijvoorbeeld het indexatiebesluit - een kader waarin alle belangen inzichtelijk zijn gemaakt. Het beleid moet worden uitgevoerd binnen de kaders van de pensioenovereenkomst zoals door de cao-partijen overeengekomen.
3.2.1 Toeslagbeleid
Voor de pensioenaanspraken van actieve, arbeidsongeschikte en gewezen deelnemers en de ingegane pensioenen van pensioengerechtigden wordt bij de bepaling van het indexatiepercentage uitgegaan van de ontwikkeling van een prijsindexcijfer (CPI voor alle huishoudens, afgeleid) tussen 1 april van het voorafgaande jaar en 1 april van het jaar waarop de indexatie betrekking heeft.
Het toeslagbeleid dient op grond van de Pensioenwet toekomstbestendig te zijn. Dit betekent dat niet meer toeslag wordt verleend dan in de toekomst te realiseren is. Voor het bepalen van het toeslagpercentage wordt onderstaande toeslagstaffel gehanteerd:
| Beleidsdekkingsgraad | Toeslagverlening |
|---|---|
| < 110% | Geen toeslagverlening. |
| Tussen 110% en toeslagverleningsdekkingsgraad *(%) | Gedeeltelijke toekomstbestendige toeslagverlening. |
| > Toeslagverleningsdekkingsgraad* (%) | Volledige toeslagverlening. Wanneer er na het verlenen van toeslagen een overschot is mag dit overschot binnen de fiscale grenzen voor 1/5e deel worden aangewend om gemiste toeslagen in te halen en eventuele kortingen uit het verleden goed te maken. |
Het bestuur kan besluiten een voorwaardelijke toeslag toe te kennen op grond van een extra mogelijkheid tot het verlenen van een toeslag die (lagere) wetgeving biedt. Van deze extra mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt indien wordt voldaan aan de nadere voorwaarden in de (lagere) wetgeving, in aanvulling en uitzondering op hetgeen in het bovenstaande bepaald is. In 2024 heeft het bestuur besloten om gebruik te maken van het Transitie FTK en DNB heeft daarmee ingestemd. Hiermee was het mogelijk om vanaf een beleidsdekkingsgraad van 105% volledige indexatie te verlenen zonder dat daarbij de eis van toekomstbestendige toeslagverlening gold. Hierdoor heeft het bestuur per 1 januari 2025 kunnen overgaan tot het verhogen van de (opgebouwde) pensioenen met 2,3%. Als de indexatiemogelijkheid op basis van het Transitie FTK er niet was geweest, hadden de pensioenen slechts met 0,7% kunnen worden verhoogd.
Ieder jaar bekijkt het bestuur of de pensioenen verhoogd kunnen worden. In de jaren voor 2023 kon dat niet. In 2024 zijn de (opgebouwde) pensioenen al met 2,25% verhoogd. Of de (opgebouwde) pensioenen verhoogd mogen worden, hangt bijvoorbeeld af van de dekkingsgraad. Die geeft aan of nu en in de toekomst de pensioenen doorbetaald kunnen worden. De dekkingsgraad was eind 2024 hoog genoeg doordat de overheid de regels had versoepeld. Daarom kon worden overgegaan tot het indexeren van de (opgebouwde) pensioenen. De afgelopen jaren heeft het pensioenfonds de prijsstijgingen niet kunnen bijhouden. Ook met deze indexeringen van 2,25% (1-1-2024) en 2,3% (1-1-2025) is minder verhoogd dan de prijsstijging.
In Nederland krijgen we een nieuw pensioenstelsel. Voor de overgang naar dit nieuwe pensioenstelsel is het belangrijk dat het pensioenfonds voldoende dekkingsgraad behoudt. Anders moeten de pensioenen misschien bij de overgang worden verlaagd. Dat heeft te maken met de nieuwe pensioenregels. Het bestuur wil een verlaging van pensioenen voorkomen. Het bestuur acht het daarom verantwoord en evenwichtig dat de pensioenen per 1 januari 2025 zijn verhoogd met 2,3%.
Effecten van de verhoging voor verschillende leeftijden
De verhoging van de pensioenen geldt voor alle deelnemers van het pensioenfonds, jong en oud. Het toeslag besluit is na een zorgvuldige afweging van de diverse belangen van alle deelnemers, met het oog op het invaren in het nieuwe pensioenstelsel, tot stand gekomen. Richting het nieuwe pensioenstelsel wil het bestuur voldoende buffers aan houden om de uitkeringen tenminste op het huidige niveau te kunnen houden in geval van tegenvallende financiële marktontwikkelingen. Bij de besluitvorming kijkt het bestuur naar de gevolgen van het indexatiebesluit voor alle deelnemers. De gevolgen van deze verhoging verschillen per leeftijd. Het pensioenfonds wil overgaan naar het nieuwe pensioenstelsel, de effecten van deze verhoging voor de pensioenen zullen op het moment van invaren in het nieuwe stelsel worden meegewogen. Bij de hoogte van de indexatie is al zo goed mogelijk rekening gehouden met de benodigde financiën van het fonds om over te kunnen gaan naar de nieuwe situatie.
Het bestuur weet dat er ook nadelen aan deze verhoging zitten. De verhoging is vooral positief voor de oudere deelnemers. Ook heeft het pensioenfonds door deze verhoging minder geld om de overgang naar de nieuwe regels voor pensioen te betalen. Toch vindt het bestuur de verhoging verantwoord en evenwichtig. De financiële positie van het pensioenfonds is sterk genoeg. Oudere deelnemers krijgen een beter pensioen, en de gevolgen voor jongere deelnemers zijn beperkt. Met deze verhoging zorgen we voor een beter pensioen nu, en houden we rekening met de toekomst.
De grafiek hieronder laat zien wat de verhoging betekent voor verschillende leeftijden. De lijn geeft weer hoeveel procent een deelnemer erop vooruit of achteruit gaat. We vergelijken dan deze verhoging met de situatie als er helemaal geen verhoging zou zijn. Bijvoorbeeld: het pensioen van een deelnemer van 40 jaar is met de verhoging 100,2% in vergelijking met het pensioen zonder verhoging.
Hoe ouder iemand is, hoe positiever het effect. En hoe jonger de deelnemer, hoe minder positief het effect. Vanaf 33 jaar heeft deze verhoging een positief effect op het uiteindelijke pensioen. De verschillen zijn relatief klein. Overall gezien, beschouwt het bestuur de verstrekte indexatie als evenwichtig.

3.2.2 Financieringsbeleid
Financieringssysteem en ABTN
De wijze waarop de kostendekkende premie en de verschuldigde premie bij het fonds wordt vastgesteld wordt hierna nader toegelicht.
Vaststelling van de kostendekkende premie
De kostendekkende premie wordt jaarlijks bepaald als de som van:
De jaarinkoop (gedisconteerd met de reële rendementscurve) benodigd voor de in het boekjaar te verkrijgen aanspraken op (tijdelijk/extra) ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen, vermeerderd met de risicopremies voor arbeidsongeschiktheid (premievrijstelling) en overlijden (partnerpensioen en wezenpensioen) en vermeerderd met een opslag voor uitvoeringskosten.
De solvabiliteitsopslag in de premie is gelijk aan nul, tenzij het Vereist Eigen Vermogen horende bij de jaarinkoop hoger is dan de in de premie opgenomen kosten voor indexatie. In deze situatie is de solvabiliteitsopslag gelijk aan het Vereist Eigen Vermogen verminderd met de in de premie opgenomen kosten voor indexatie. Het Vereist Eigen Vermogen is het conform het standaardmodel van DNB berekende percentage ultimo voorgaand boekjaar.
Voor de berekening van de kostendekkende premie wordt uitgegaan van de reële rendementscurve. De reële rendementscurve wordt vastgesteld als het verwachte fondsrendement verminderd met een afslag voor indexatie en staat in beginsel voor een periode van 5 jaar vast. Per 1 januari 2024 is een nieuwe 5-jaarsperiode ingegaan. Bij het vaststellen van de reële rendementscurve is rekening gehouden met de maximale parameters, zoals vastgelegd in artikel 23a eerste lid van het Besluit Financieel Toetsingskader pensioenfondsen. De reële rendementscurve is gebaseerd op de rentetermijnstructuur per 30 september 2023 op het moment dat het bestuur de premie voor 2024 heeft vastgesteld.
Bij de vaststelling van de kostendekkende premie worden de actuariële veronderstellingen gehanteerd, die ook bij de bepaling van de technische voorziening worden gebruikt. De opslag voor premievrije deelneming wegens arbeidsongeschiktheid bedraagt 7,3% van de actuariële koopsom voor de pensioenopbouw. De opslag voor dekking van de jaarlijkse administratiekosten bedraagt 1,7% van de som van het pensioengevend loon.
De uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de reële rendementscurve zijn door het bestuur getoetst aan de resultaten in de ALM-studie uit 2019. Het verwachte reële fondsrendement in de ALM-studie kan per saldo gelijkgesteld worden aan het verwachte reële fondsrendement op basis van de maximale parameters en de overige wettelijke aannames betreffende verwacht rendement op vastrentende waarden en inflatie.
De verschuldigde premie
De bijdrage die het pensioenfonds met betrekking tot de regeling inzake ouderdoms-, nabestaanden- en wezenpensioen (inclusief premievrijstelling) ontvangt, bedraagt per deelnemer een percentage van het pensioengevend salaris. Het uitgangspunt is dat deze verschuldigde premie minimaal gelijk is aan de kostendekkende premie als hiervoor omschreven. Met ingang van 1 januari 2014 bedraagt dit percentage 14,0% van de salarissom. Het nabestaandenpensioen vindt bij het pensioenfonds plaats op kapitaalbasis.
Vanaf 1 januari 2016 wordt dit percentage jaarlijks vertaald naar een percentage van de pensioengrondslag (PG). Voor 2024 is de bijdrage vastgesteld op 28,0% van de pensioengrondslag. De pensioengrondslag wordt gevormd door het salaris minus de franchise van € 17.545. De werkgever is gerechtigd een gedeelte van deze premie te verhalen op de werknemer volgens de afspraken die daarover zijn gemaakt in de geldende cao. Uitgangspunt is een sluitende financiële opzet van de pensioenregeling.
Verloop pensioenpremie en overige premies
De afgelopen vijf jaar hebben de premies zich als volgt ontwikkeld:
| 2024 | 2023 | 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|---|---|
| Pensioenpremie in % van de pensioengrondslag | 28,0% | 26,9% | 25,8% | 25,7% | 25,2% |
Excedentregeling
De premie voor de aanvullende excedentverzekeringen komt volledig ten laste van de werkgever. Deze actuariële premie is afhankelijk van het geslacht en leeftijd van de deelnemer. De premie voor de excedentregeling wordt als volgt vastgesteld:
| Overlevingsgrondslagen: | Prognosetafel AG2022, rekening houdend met ervaringssterfte. Per 1 januari 2024 wordt startjaar 2024 gebruikt. Het startjaar wordt jaarlijks één jaar doorgeschoven; |
| Marktrente: | Rentetermijnstructuur van 30 september voorafgaand aan het jaar waarvoor de premie wordt vastgesteld; |
| Excassokosten: | 2,7% van de nominale jaarinkoop; |
| Administratiekosten | 1,7% van het pensioengevend (excedent)salaris; |
| Arbeidsongeschiktheid | 7,3% van de nominale jaarinkoop; |
| Wezenopslag | 1,4% van de actuarieel benodigde (risico)koopsom; |
| Solvabiliteitsopslag | 14,8% van de nominale jaarinkoop. De solvabiliteisopslag is gelijk aan de beleidsdekkingsgraad per 30 september van het jaar voorafgaande aan de premiebetaling verminderd met 100%-punt. De solvabiliteitsopslag kan niet minder bedragen dan 0%. |
3.2.3 Beleggingsbeleid
Algemeen
De doelstelling van het beleggingsbeleid is de ingelegde premies zo goed mogelijk te beleggen om een optimaal rendement te behalen. Hierbij spelen risico, kwaliteit en diversificatie een belangrijke rol. Uitgangspunten bij het vaststellen van de beleggingsportefeuille zijn de aard en omvang van de verplichtingen, het risicobudget en de eisen die voortvloeien uit de pensioenwetgeving.
Asset Liability Management
Om te komen tot een optimale samenstelling van de assetmix van de portefeuille op hoofdlijnen is gebruikgemaakt van de uitkomsten van een Asset Liability Management (ALM) studie. In deze studie wordt rekening gehouden met het toeslagenbeleid, het premiebeleid en de pensioenverplichtingen. Zodoende worden het beleggingsbeleid, het financieringsbeleid en het pensioenbeleid op elkaar afgestemd. In 2022 is er een ALM-studie uitgevoerd.
Matching- & returnportefeuilles
De inrichting van de portefeuillestructuur is gebaseerd op de doelstellingen en risicokaders van het pensioenfonds. De normwegingen van de portefeuillestructuur bestaan uit: 54% matchingportefeuille en 46% returnportefeuille.
Matchingportefeuille
De matchingportefeuille is primair gericht op de uitvoering van de strategische afdekken van renterisico. Naast renteswaps worden in deze portefeuille beleggingen in obligaties en geldmarktfondsen aangehouden om onder andere te kunnen voldoen aan de onderpandverplichtingen van deze renteswaps. Er vindt een dagelijkse bewaking van het onderpand plaats die wordt uitgevoerd door specialisten. Met deze portefeuille wordt geen outperformancedoelstelling nagestreefd. De benchmark voor de matchingportefeuille wordt opgesteld op basis van de jaarlijkse uitkeringsprognose. In samenwerking met de administrateur zal maandelijks een aanpassing worden verwerkt op basis van de geschatte technische voorziening van de verplichtingen, de balans en de dekkingsgraad van het pensioenfonds. De matchingportefeuille belegt daarnaast in bedrijfsobligaties, green bonds en hypotheken.
Returnportefeuille
De returnportefeuille beoogt de indexatieambitie van het pensioenfonds te realiseren en is gespreid over diverse beleggingscategorieën en regio’s. Daarbij wordt aansluiting gezocht met de visie voor het betreffende jaar en het verwachte economische regime. De portefeuille is belegd in hoogrentende bedrijfs- en staatsobligaties, aandelen, onroerend goed en private equity.
Strategische verdeling normportefeuille
Hieronder is de strategische verdeling voor 2025 weergegeven met de bijbehorende indices (de total return variant; inclusief nettodividend).
| MATCHINGPORTEFEUILLE | ||
| Categorie | Weging | Benchmark |
| Nominale matching incl. cash | 37,2% | Benchmarkrendement = portefeuillerendement |
| Liquiditeit | 1,7% | €STR |
| Green Bonds | 2,5% | Barclays MSCI Euro Green Bond Index |
| Euro bedrijfsobligaties | 7,3% | Markit iBoxx Euro Corporate Bond Index |
| NL Hypotheken | 5,3% | JPM GBI Traded Netherlands |
| Totaal | 54,0% | |
| RETURNPORTEFEUILLE | ||
| Categorie | Weging | Benchmark |
| Hoogrentende obligaties | 10,0% | |
| Hoogrentende bedrijfsobligaties | 3,5% | Bloomberg US Corporate High Yield + Pan Euro HY ex Financials 2.5% Issuer Cap – Euro hedged |
| Obligaties opkomende markten HC | 2,6% | JP Morgan EMBI Global Diversified euro hedged |
| Obligaties opkomende markten LC | 3,9% | JPM GBI-EM Global Diversified |
| Aandelen | 24,0% | |
| Ontwikkelde markten | 20,0% | MSCI World Climate Change Net |
| Opkomende markten | 4,0% | MSCI Emerging Markets ND |
| Alternatieve beleggingen | 12,0% | |
| Niet beursgenoteerd onroerend goed | 6,0% | 37,5% IPD Nederlandse woningen 32,5% Portefeuille Europees OG 30% VS ODCE |
| Private Equity | 6,0% | 5-jaars euroswap +200 bp |
| Totaal | 46,0% |
In hoofdstuk 4 ‘Beleggingen’ wordt nader ingegaan op de uitkomsten van de gemaakte beleidskeuzes.
3.3 Risicobeheer
3.3.1 Beleidsuitgangspunten en risicohouding
Kwalitatieve risicohouding financieel risico
Het bestuur van het pensioenfonds heeft een risicobewuste houding. Het fonds streeft ernaar om de nominale aanspraken waardevast na te komen. Inflatie holt de waarde van de nominale uitkeringen uit en gezien het langetermijnkarakter van pensioenen is het belangrijk dat de koopkracht van het pensioen behouden blijft. Beleggingsrisico kan acceptabel zijn in het streven naar koopkrachtbehoud, zelfs indien dit betekent dat de nominale aanspraken niet geheel kunnen worden nagekomen.
- Het opgebouwde pensioen vormt na pensionering een belangrijke bron van inkomen voor deelnemers van het fonds.
- Er wordt gestreefd naar een stabiele premie en een stabiele opbouw.
- Bij de afweging tussen de hoogte van het opbouwpercentage en de mate van indexatie prevaleert binnen redelijke grenzen de hoogte van het opbouwpercentage.
- Het fonds streeft naar een zoveel mogelijk waardevast pensioen, dit met een minimale ambitie van 50% van de prijsindex.
- Een afgewogen balans tussen de te nemen risico’s en het naar verwachting te realiseren beleggingsrendement is noodzakelijk om op langere termijn invulling te kunnen geven aan de pensioenambitie. Voor het nastreven van de pensioenambitie is het bestuur bereid om beleggingsrisico te nemen en een beleggingsrendement na te streven dat hoger is dan de risicovrije marktrente.
- Bij slechte economische omstandigheden acht het bestuur het uit te leggen dat volledige toekenning van toeslag niet realiseerbaar is. Het bestuur streeft ernaar kortingen op de pensioenaanspraken en –uitkeringen zoveel mogelijk te voorkomen en als uiterste middel in te zetten. Daarbij is het uitgangspunt dat eventuele kortingen worden gespreid over de maximale hersteltermijn die binnen de wettelijke kaders mogelijk is.
De risicobereidheid van het bestuur kan worden beïnvloed door de actuele financiële positie van het pensioenfonds. Periodiek wordt beoordeeld of de ambitie van de sociale partners nog haalbaar is. Het vasthouden aan een onmogelijke ambitie is immers niet zinvol. Bij de keuze voor een bepaald beleid wordt niet alleen een verwachte ontwikkeling beoordeeld maar ook scenario’s die gunstiger of minder gunstig zijn dan de verwachte ontwikkeling. De ambitie dient in de meeste scenario’s te kunnen worden behaald.
Risicobereidheid deelnemers
De in 2024 gevoerde pensioenregeling is mede gebaseerd op een onderzoek geweest onder deelnemers uit 2019, waarin ook gekeken is naar de risicobereidheid. De uitkomsten waren vergelijkbaar met het voorgaande onderzoek uit 2014, waarbij de deelnemers aangaven het risicoprofiel bij voorkeur niet te willen verhogen. In 2022 heeft het bestuur ten behoeve van het voorbereiden van de overgang naar de Wet toekomst pensioenen, opnieuw een onderzoek uitgevoerd naar de risicobereidheid onder deelnemers. Deze uitkomsten zijn door het bestuur en sociale partners verwerkt in de vaststelling van de risicohouding en daaruitvolgend het beleggingsbeleid voor de fase na de overgang in het nieuwe pensioenstelsel.
Kwalitatieve risicohouding niet-financiële risico’s
Het bestuur hanteert een lage risicotolerantie ten aanzien van niet-financiële risico’s, omdat deze naar verwachting niet worden beloond met een risicopremie. Bij de bepaling van de mate van beheersing van dergelijke risico’s maakt het bestuur een afweging tussen de kans dat het risico zich voordoet, de mogelijke impact ervan en de kosten die gepaard gaan met de beheersing.
Kwantitatieve risicohouding
De kwantitatieve risicohouding wordt geconcretiseerd door de vaststelling van de volgende risicogrenzen:
- het vereist eigen vermogen voor de risicohouding voor de korte termijn, en
- het pensioenresultaat in de haalbaarheidstoets voor de risicohouding voor de lange termijn.
Deze toets is voor ieder pensioenfonds verplicht op grond van wet- en regelgeving. In de aanvangshaalbaarheidstoets die in september 2015 is uitgevoerd is de risicohouding voor de lange termijn bepaald voor verwachtingen ten aanzien van het pensioenresultaat. Bij een overschrijding vindt er een beleidsdiscussie plaats. Risicogrenzen maken het mogelijk om op een vooraf vastgelegde en objectieve manier te beoordelen of het risico hoger of lager is dan vooraf is toegestaan. Echter, bij overschrijding van risicogrenzen zal geen automatische aanpassing van beleid plaatsvinden, maar een kwalitatieve discussie, rekening houdend met de situatie en inzichten van dat moment.
Het pensioenresultaat wordt als volgt bepaald:
Het pensioenresultaat wordt per geboortecohort vastgesteld en vervolgens op basis van gewogen aantallen vertaald naar een pensioenresultaat op fondsniveau. Bij de vaststelling van dit pensioenresultaat wordt geen rekening gehouden met nieuwe toetreders, maar wel met toekomstige opbouw en ontslag- en pensioneringskansen van de huidige actieve deelnemers.
Het bestuur heeft de volgende risicohouding (lange termijn) vastgesteld met betrekking tot het pensioenresultaat:
Ondergrens 1: Vanuit de situatie waarbij dekkingsgraad gelijk is aan vereist eigen vermogen dient de mediaan van het pensioenresultaat ten minste gelijk te zijn aan 80%.
Ondergrens 2: Vanuit de feitelijke dekkingsgraad dient de mediaan van het pensioenresultaat ten minste gelijk te zijn aan 75%.
Ondergrens 3: Vanuit de feitelijke dekkingsgraad dient de maximale afwijking ten opzichte van de mediaan in het geval van een “slecht-weer-scenario” (lees: 5e percentiel) 35% te bedragen.
Het bestuur heeft de volgende risicohouding (korte termijn) vastgesteld met betrekking tot het vereist eigen vermogen: het vereist eigen vermogen afgeleid van de werkelijke assetmix van het fonds mag niet meer dan 2,5% (zowel positief als negatief) afwijken van het vereist eigen vermogen afgeleid van de strategische assetmix.
| Grens | Aanvangshaalbaarheidstoets 2015 | Jaarlijkse haalbaarheidstoets 2023 | |
| Mediaan pensioenresultaat | 75% | 89% | 83% |
| Slecht-weer-scenario pensioenresultaat | - | 63% | 65% |
| Relatieve afwijking slecht-weerscenario | 35% | 30% | 22% |
Aangezien het pensioenfonds heeft aangegeven voornemens te zijn de bestaande aanspraken volledig in te varen naar de nieuwe regeling onder de Wet toekomst pensioenen (hierna: Wtp) is er in 2024 een vrijstelling geweest van de haalbaarheidstoets.
In 2024 is de risicohouding voor de nieuwe regeling onder Wtp vastgesteld. Op basis van de diverse doorrekeningen ten behoeve van de onderbouwing van de toekomstige regeling, is er geen reden aan te nemen dat het beleid van het pensioenfonds buiten de risicobereidheid valt.
Het bestuur heeft de volgende risicohouding (korte termijn) vastgesteld met betrekking tot het vereist eigen vermogen: het vereist eigen vermogen, afgeleid van de werkelijke assetmix van het pensioenfonds, mag niet meer dan 2,5% (zowel positief als negatief) afwijken van het vereist eigen vermogen, afgeleid van de strategische assetmix. Per einde 2024 was de afwijking in het vereist eigen vermogen tussen strategische mix (115,2%) en feitelijke mix (116,2%) ruim binnen de gestelde grenzen.
3.3.2 Risicogovernance
Het pensioenfonds hecht belang aan een onafhankelijke inrichting van het risicomanagement. De inrichting van het onafhankelijk risicomanagement is gebaseerd op het idee van de drie verdedigingslinies. Dit gaat uit van adequate functiescheiding om te voorkomen dat risicolimieten overschreden worden en is in het volgende schema weergegeven.

Sleutelfunctie Risicobeheer
In lijn met de Pensioenwet (en de IORP II-richtlijn) heeft het pensioenfonds een Sleutelfunctie Risicobeheer ingesteld bestaande uit een Sleutelfunctiehouder (Bestuurslid) en een vervuller. De Sleutelfunctie Risicobeheer, met ondersteuning van de
Risicoadviescommissie (RAC), is verantwoordelijk voor overkoepelend risicobeleid. Voor specifieke risico’s worden daarnaast specialisten gebruikt, zoals de compliance- en privacy-officer. De taken en verantwoordelijkheden van de sleutelfunctie zijn opgenomen in het risicobeleid van het pensioenfonds.
Risicoadviescommissie
De RAC ondersteunt de Sleutelfunctie Risicobeheer. De houder van de Sleutelfunctie Risicobeheer is tevens voorzitter van de RAC. De samenstelling, taakomschrijving, vergaderfrequentie en ondersteuning van deze commissie zijn opgenomen in het huishoudelijk reglement. De RAC bereidt formeel het risicobeleid voor en geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het bestuur over de onderwerpen gerelateerd aan risicomanagement. Minimaal één maal per kwartaal komt deze commissie bijeen. De leden van de RAC rapporteren aan het voltallige bestuur over de benoemde aangelegenheden, uitmondend in een advies waarna het bestuur op basis van die rapportages en adviezen beslissingen kan nemen.
Externe Oversight manager
Ortec Finance fungeert als vervuller van de Sleutelfunctie Risicobeheer en ondersteunt het bestuur op het gebied van risicomanagement en houdt toezicht op de uitbestede diensten. Hierbij gaat Ortec Finance na of de dienstverlening wordt uitgevoerd conform het beleid en conform de afspraken die gemaakt zijn in contracten en Service Level Agreements. Ortec Finance ondersteunt daarnaast, via voorbereidende werkzaamheden voor commissies, het bestuur in besluitvorming door het opstellen van onafhankelijke oplegnotities bij voorstellen en adviezen die door de adviserend actuaris (Sprenkels), fiduciair manager (GSAM) en pensioenuitvoerder (TKP) aan het bestuur ter besluitvorming worden voorgelegd.
Ten slotte stelt Ortec Finance maandelijks en op kwartaalbasis een Integraal Risicodashboard op, op basis waarvan het bestuur zowel de financiële als niet-financiële risico’s monitort. Het bestuur is en blijft eindverantwoordelijk voor de beslissingen die het neemt.
‘Soft controls’ en risicobewustzijn
Ortec Finance levert ieder maand een Integraal Risicodashboard op en op kwartaalbasis een uitgebreide versie. Dit bevordert het risicobewustzijn bij bestuursleden. Daarnaast is er bij nieuwe besluitvorming op bijvoorbeeld de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en beleggingsonderwerpen altijd ruim aandacht voor de risico-aspecten, o.a. op basis van de notities vanuit Ortec Finance. De Sleutelfunctie Risicobeheer geeft bij alle materiële bestuursbesluiten een advies vanuit risico-oogpunt.
Onafhankelijk risicomanagement binnen uitvoeringsorganisaties
Het pensioenfonds heeft een belangrijk deel van haar werkzaamheden uitbesteed aan externe partijen. De belangrijkste uitbestedingspartijen zijn de pensioenuitvoerder (TKP), fiduciair manager (GSAM), custodian (BNYM) en het onafhankelijke bestuursbureau (PBSV). In het Uitbestedingsbeleid heeft het pensioenfonds de voorwaarden vastgelegd waaraan uitbestedingspartijen moeten voldoen, inclusief eisen ten aanzien van risicomanagement. Het is gebruikelijk binnen financiële ondernemingen en andere uitvoeringsorganisaties om in de eigen organisatie tevens een functiescheiding conform het model van drie verdedigingslinies aan te houden. In lijn met het uitbestedingsbeleid van het pensioenfonds is dit ook het geval binnen de organisatie van de fiduciair manager en de pensioenuitvoerder. Daarnaast leveren de uitvoeringsorganisaties informatie aan ten behoeve van het risicomanagement, o.a. via periodieke rapportages.
3.3.3 Risico-identificatie en beheersmaatregelen
Risicobereidheid
De mate waarin het fonds bereid is beleggingsrisico’s te nemen, is gebaseerd op de risicohouding zoals beschreven in de vorige paragraaf. Tevens heeft het bestuur de volgende uitgangspunten bepaald t.a.v. de risicohouding inzake niet-financiële risico’s:
- Het bestuur streeft naar een goede reputatie en betrouwbaarheid om het draagvlak voor de uitvoering van de eigen regeling te behouden en verder te versterken. Het bestuur besteedt daarom alleen werkzaamheden uit aan integere en professionele partijen.
- Het bestuur heeft een strikte gedragscode waar verbonden personen aan gebonden zijn. Alle verbonden personen voldoen aan eisen met betrekking tot integriteit, deskundigheid en professionaliteit. Het bestuur accepteert geen risico’s met betrekking tot het niet naleven hiervan.
- Het bestuur hecht waarde aan bewustwording omtrent integriteitsrisico’s en voert daarom periodiek een uitgebreide systematische integriteitsrisicoanalyse uit (de zogenaamde ‘SIRA’).
- Het bestuur bewaakt en monitort de uitbestedingsrisico’s door middel van verschillende rapportages, waaronder het Integraal Risicodashboard. Het beheersen van niet-financiële risico’s gaat gepaard met kosten. De mate van beheersing wordt daarom altijd bezien in relatie tot de kosten, waarbij het bestuur geen bovenmatige risico’s accepteert.
Vanuit bovenstaande risicohouding heeft het fonds voor ieder geïdentificeerd risico is een risicobereidheid vastgesteld, die aangeeft welk restrisico het fonds voor ieder risico acceptabel acht. Voor beleggingsrisico’s waar een verwacht rendement tegenover staat, is het fonds bereid risico te nemen. Dit betreft bijvoorbeeld rente-, krediet- en aandelen- (markt)risico. De bereidheid om deze risico’s te nemen is afhankelijk van het verwachte te behalen rendement, en de mate waarin risico gereduceerd kan worden via spreiding over beleggingscategorieen. In de ALM studie en jaarlijkse vaststelling van de normportefeuille wordt de gewenste mate van risico bepaald. Voor risico’s die naar verwachting niet direct beloond worden, zoals operationeel risico, liquiditeitsrisico en integriteitsrisico hanteert het fonds een lage risicobereidheid. Dit betekent dat het fonds bereid is enige kosten te maken om deze risico’s te beperken tot het gewenst lage niveau.
Risicobeheersingsproces
De risico’s voor het pensioenfonds, het beleid, de beheersing en de monitoring hiervan zijn beschreven in het Risicobeleid. De belangrijkste risico’s worden ook in de ABTN toegelicht. In de ABTN heeft het pensioenfonds ook een crisisplan opgenomen. Het crisisplan voorziet zowel in een financiële crisis (conform wettelijke vereisten) als een meer generieke crisissituatie, zoals een pandemie. In het beleid maakt het fonds onderscheid tussen strategische, financiële en niet-financiële risico’s. Voor ieder risico worden periodiek risicobeoordelingen gemaakt, waarin gekeken wordt naar relevante risicoscenario’s, de kans en impact van het optreden van een dergelijk scenario eventuele beheersmaatregelen en het resterende risico na de beheersmaatregelen. Indien het resterende risico groter is dan de risicobereidheid, wordt gekeken of en welke aanvullende beheersmaatregelen mogelijk zijn. Eventuele toepassing van extra beheersmaatregelen is een afweging tussen de mate van risicoreductie en kosten.
Risicoscores
Methodiek
Om tot een consistente beoordeling van risico’s te komen, heeft het pensioenfonds de volgende schalen voor de scoring op kans en impact nader gedefinieerd. Deze getallen vormen een indicatie van de kans en impact en bieden de mogelijkheid ook de totale impact (kans x impact) te kwantificeren.
| Kans | Beschrijving | Definitie | Indicatie kans optreden risico in 1 jaar |
|---|---|---|---|
| 1 | Laag | Onwaarschijnlijk dat het risico zich voordoet in de komende 5 jaar | <20% |
| 2 | Beperkt | Het risico doet zich mogelijk voor in de komende 2 tot 5 jaar | 20%-50% |
| 3 | Aanzienlijk | Het risico komt mogelijk elk jaar voor, of zeer waarschijnlijk op lange termijn | 50%-80% |
| 4 | Hoog | Het risico treedt redelijkerwijs binnen een half jaar op, of met zekerheid op de lange termijn | 80%-100% |
| Impact | Beschrijving | Definitie | Indicatie Impact financieel risico (daling DG) | Indicatie Impact niet-financieel risico (% begroting ) |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Laag | Nauwelijks impact op financiële situatie en/of reputatie | <2% | <2% |
| 2 | Beperkt | Enige financiële schade en/of licht beschadigde reputatie | 2%-5% | 2%-5% |
| 3 | Aanzienlijk | Significante financiële schade en/of beschadigde reputatie | 5%-10% | 5%-10% |
| 4 | Hoog | Ernstige impact op financiële situatie en/of reputatie: missie, visie en strategie kunnen niet worden gerealiseerd | >10% | >10% |
Het bestuur beoordeelt ten minste jaarlijkse de scores van de diverse geïdentificeerde risico’s. Onderstaande figuur geeft hiervan een overzicht. Tussen haakjes [ ] staat voor ieder risico de risicobereidheid

| Categorie | Netto risico | Financiële risico’s | Niet-financiële risico’s |
|---|---|---|---|
| A | 1x2=2 | Operationeel risico [3], Communicatierisico [3], Integriteitsrisico [3], juridisch en fiscaal risico [3], uitbestedingsrisico [3] | |
| B | 2x1=2 | Actief beheer risico [3], Tegenpartijrisico [3], Concentratierisico [3], Liquiditeitsrisico [3], Verzekeringstechnisch risico [3] |
ESG Risico [3] |
| C | 3x1=3 | Valutarisico [3] | |
| D | 2x2=4 | IT-risico (ex cyber, [3]), IT-risico (cyber, [4]) Strategisch risico - niet financieel [6] |
|
| E | 3x2=6 | Kredietrisico [6], Inflatierisico [6] | |
| F | 3x3=9 | Marktrisico [9], Renterisico [9] | |
| G | 3x4=12 | Balansrisico (strategisch risico financieel, [10+]) |
De belangrijkste risico’s (die met een score van meer dan 6, of buiten de risicobereidheid), zijn in bovenstaande tabel vetgedrukt en hieronder nader toegelicht.
- Strategisch risico:
Het strategisch risico betreft het risico dat het pensioenfonds om welke reden dan ook, niet in staat is haar strategische doelstellingen zoals verwoord in de missie, visie en strategie te realiseren. Een wijziging in 2023 is geweest dat het pensioenfonds in het strategische risico expliciet onderscheid maakt tussen de financiële risico’s en niet-financiële risico’s. Reden hiervoor is dat er voor het realiseren van de financiële doelstellingen van het fonds, bewust beleggingsrisico wordt genomen. Hier wordt een relatief hoge risicotolerantie gehanteerd. Voor niet-financiële doelstellingen, zoals een integere en beheerste bedrijfsvoering en de transitie naar Wtp, wordt een lage risicobereidheid gehanteerd. Dit onderscheid stelt het bestuur beter in staat te monitoren of de gerealiseerde risicobeheersing afdoende is. - Strategisch risico - Financieel: Balansrisico:
Een belangrijk korte termijn risico is dat het pensioenfonds niet beschikt over voldoende vermogen om de pensioenverplichtingen na te kunnen komen, ook wel het solvabiliteitsrisico genoemd. Als de solvabiliteit zich negatief ontwikkelt, kan er geen of minder ruimte voor toeslagverlening zijn. In het uiterste geval kan het zelfs noodzakelijk zijn voor het pensioenfonds om pensioenaanspraken en pensioenrechten te korten. De solvabiliteit van een pensioenfonds wordt gemeten op basis van de hoogte van de dekkingsgraad van het pensioenfonds. Het pensioenfonds heeft op basis van het in 2024 vastgestelde overbruggingsplan en indexatiebeleid per eind 2024 een toeslag van 2,3% kunnen toekennen. Ondanks deze toekenning is over 2024 de beleidsdekkingsgraad gestegen van 115,7% per 1 januari 2024 tot 116,9% per 31 december 2024.
- Renterisico:
Het renterisico is het risico dat de waarde van de beleggingen en de waarde van de pensioenverplichtingen veranderen als gevolg van veranderingen in de marktrente. Ter bescherming van de dekkingsgraadrisico’s richting het invaarmoment, heeft het bestuur besloten tot dan de renteafdekking vast te houden aan de bovenkant van de gehanteerde staffel, zijnde 80%, ongeacht de verdere bewegingen in de rente. De matchingportefeuille is gericht op het afdekken van het renterisico en bestaat uit een LDI (Liability Driven Investing) portefeuille, bedrijfsleningen, groene obligaties (green bonds) en de hypotheekbeleggingen, alle in euro. De LDI-portefeuille wordt geheel in staatsobligaties en staatsgerelateerde obligaties belegd met een minimale kredietrating van AA van een van de bekende ratingbureaus, aangevuld met beleggingen in geldmarktinstrumenten en renteswaps met een beperkt aantal solide tegenpartijen, waarbij dagelijks onderpand wordt uitgewisseld. Daarnaast wordt bij de renteafdekking rekening gehouden met de rentegevoeligheid over verschillende looptijden. De bewaking van de renteafdekking vindt plaats op dagelijkse basis.
- Marktrisico (koersrisico):
Marktrisico is het risico dat de marktprijs van financiële instrumenten en effecten daalt. Dit wordt veroorzaakt door factoren die samenhangen met een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren. Wijzigingen in marktomstandigheden hebben altijd direct invloed op het beleggingsresultaat, omdat alle beleggingen worden gewaardeerd op hun actuele waarde waarbij waardeveranderingen onmiddellijk worden verwerkt in het saldo van baten en lasten. Het nemen van marktrisico werd over 2024 beloond met een rendement ruim boven de renteontwikkeling, waardoor dit positief bijdroeg aan de ontwikkeling van de dekkingsgraad.
Het pensioenfonds neemt bewust marktrisico’s omdat hier een risicopremie tegenover staat en daarmee een hoger rendement wordt verwacht dan de risicovrije rentevoet. Het koersrisico van met name de returnportefeuille (aandelen, hoogrentende obligaties, vastgoed en private equity) wordt beheerst door middel van diversificatie over verschillende beleggingscategorieën, volgens de overeengekomen beleggingsrichtlijnen. Bovendien wordt binnen elke beleggingscategorie een zorgvuldige spreiding over individuele effecten of andere beleggingsobjecten gewaarborgd, zodat de beleggingsportefeuille als geheel nooit bovenmatig wordt blootgesteld aan het koersrisico van één of enkele specifieke beleggingen. De monitoring van het koersrisico vindt plaats op dagelijkse basis door de coördinerend vermogensbeheerder (GSAM), waarbij niet alleen de actuele posities, maar ook diverse stress-scenario’s in ogenschouw worden genomen met een schatting van het risicoprofiel van de beleggingsportefeuille en van de balans van het pensioenfonds.
- Kredietrisico:
Het pensioenfonds neemt bewust kredietrisico door het kopen van obligaties van diverse overheden en bedrijven omdat hier een risicopremie tegenover staat en daarmee een hogere return dan de risicovrije rente wordt verwacht. Dit risico wordt onder controle gebracht door enerzijds een zorgvuldige selectie van individuele effecten, landen en ondernemingen op basis van kredietwaardigheid en verhandelbaarheid. De vastrentende waardenportefeuille is belegd in Europese staats- en staats gerelateerde leningen, Nederlandse hypotheken en bedrijfsleningen met een minimale rating van BBB. Er is een beperkte allocatie opgenomen naar hoogrentende leningen in de returnportefeuille. Er wordt voldoende spreiding in acht genomen bij de portefeuilleconstructie zodat nooit te veel schade kan worden opgelopen indien ondanks alles een uitgevende instelling toch in de problemen komt.
- Inflatierisico:
Inflatierisico is het risico op koopkrachtverlies en/of waardeverlies op beleggingen, als gevolg van inflatie. Een onvolledige renteafdekking is in de ogen van het pensioenfonds een beheersmaatregel tegen inflatierisico, die in 2024 heeft gewerkt. Door de gestegen dekkingsgraad is het pensioenfonds in staat geweest een toeslag op de pensioenaanspraken van 2,3% toe te kennen per 1 januari 2025. Directe afdekking van het inflatierisico is kostbaar en gaat ten koste van de nominale zekerheid van bestaande pensioenaanspraken (kortingsrisico).
- ESG-risico:
ESG-risico is het risico op schade als gevolg van milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen in relatie tot de beleggingsportefeuille en het beheer daarvan. Het pensioenfonds streeft naar een gedegen beheersing van dit risico, in lijn met de gids beheersing klimaat- en milieurisico’s van DNB. Hiertoe stelt het pensioenfonds een risico-assessment en een ESG-beleid op. Het pensioenfonds heeft een klimaatactieplan opgesteld om te bepalen in hoeverre klimaatrisico’s verder kunnen worden meegewogen in de beleggingsportefeuille. Hierbij is er wel vaak sprake van een beperkte beschikbaarheid danwel kostbaarheid van data, die het moeilijker maken hier invulling aan te geven. Tevens wordt er in toenemende mate aandacht besteed aan biodiversiteitsrisico’s (o.a. via themadag bestuur in 2024) en de mogelijkheden tot impact beleggen.
- IT-Risico (ex. cyber):
IT-risico is het risico op schade als gevolg van ontoereikende beschikbaarheid, toegankelijkheid, juistheid en aanpasbaarheid van IT-systemen en processen. In 2024 hebben zich op het gebied van IT twee belangrijke ontwikkelingen voorgedaan:
- DORA: Per 17 januari 2025 dienen pensioenfondsen te voldoen aan de Europese Digital Operational Resilience Act (DORA). Dit heeft een impact op de IT-risicobeheersing binnen het pensioenfonds, als ook de kritieke uitbestedingspartijen. Een aparte werkgroep heeft de voorbereiding op compliance aan DORA voorbereid. Dit heeft ertoe geleidt dat belangrijke mijlpalen, zoals updates van IT- en uitbestedingsbeleid zijn gerealiseerd in 2024. Vanwege de afhankelijkheid van uitbestedingspartijen om alle benodigde informatie compleet te krijgen, zal het pensioenfonds naar verwachting in de loop van 2025 volledig voldoen aan DORA.
- Wtp: om de pensioenregeling op 1 januari 2026 over te kunnen zetten naar een Solidaire premieregeling onder de Wtp, dienen er substantiële aanpassingen in de IT-systemen bij uitbestedingspartijen gemaakt te worden. Deze systemen zijn naar verwachting in 2025 gereed. Door het opstellen en hanteren van eenduidige acceptatiecriteria (‘go/no go’) voor de IT- systemen, borgt het pensioenfonds een beheerste transitie naar en uitvoering van de pensioen onder de Wtp.
Risicomonitoring
Risico’s zijn veranderlijk over tijd, zowel qua identificatie als kans en impact van optreden. Het pensioenfonds hanteert daarom een monitoringscyclus voor alle risico’s, waarbij deze ten minste op kwartaalbasis worden beoordeeld door de Sleutelfunctie Risicobeheer. Daarnaast wordt er, afhankelijk van de mate van verandering in het risico, met een frequentie van tenminste 1 tot 3 jaar een uitgebreide analyse van het risico gemaakt door aangewezen eigenaren van risico’s. Indien uit de rapportages of de analyse blijkt dat risico’s buiten de gehanteerde tolerantie voor de desbetreffende risico’s komen, wordt door het bestuur besloten over eventuele aanvullende beheersmaatregelen.
De risicobeheersmaatregelen die uit de diverse risico-analyses naar voren komen, worden jaarlijks getoetst op uitvoering en effectiviteit. De bevindingen uit de toetsing per einde 2023 zijn in 2024 opgepakt en grotendeels afgerond. Uit de beoordeling per einde 2024 komen enkele opmerkingen naar voren, maar deze zijn geen van allen zwaarwegend.
Het pensioenfonds stelt waar nodig, maar tenminste eens in de drie jaar een Eigen Risicobeoordeling (ERB) op. Eind 2023 is de meest recente ERB door het bestuur vastgesteld. Hierin is met name aandacht geweest voor de beheersing van de risico’s in de transitie naar het nieuwe stelsel. Gedurende 2024 is er geen aanleiding geweest de ERB te heroverwegen.
3.3.4 Risicobeheer in 2024
Wtp als belangrijkste speerpunt
Het pensioenfonds was voornemens om per 1 januari 2025 over te gaan naar de solidaire premieregeling onder Wtp. Hierbij gold altijd wel dat een beheerste transitie een expliciete voorwaarde is. Derhalve is medio 2024 reeds besloten de transitie met een jaar uit te stellen naar 1 januari 2026. In 2024 heeft de nadruk gelegen op het uitwerken van de nieuwe pensioenregeling en bijbehorend beleid. Dit betreft o.a. de risicohouding, strategisch beleid en compensatiemaatregelen in de transitie naar de Wtp, waarbij evenwichtigheid een belangrijk aandachtspunt is geweest.
Voor de risicobeheerfunctie resulteerde dit in een continue monitoring van de voortgang van het project, het onderhouden van de risico-analyses voor de Wtp het beoordelen van beleidsvoorstellen vanuit risico-oogpunt.
- Gelet op de complexiteit van de Wtp-transitie, heeft de Sleutelfunctie Risicobeheer (hierna: SF RB) gekozen voor een gestructureerde aanpak, waarbij er vooraf een template is vastgesteld van punten waarop de Sleutelfunctie Risicobeheer voorstellen beoordeeld.
- De risico’s in het project Wtp verschuiven op continue basis. Het Risk Self Assessment voor het project Wtp is door het pensioenfonds meermaals geüpdatet met hulp van de SF RB en ook de RAC heeft de voortgang en risico’s in het project consequent behandeld in haar vergaderingen.
- De sleutelfunctiehouder Risicobeheer is nauw betrokken geweest in het project datakwaliteit. Dit was een intensief traject met TKP, maar heeft in oktober 2024 geleid tot een bestuurlijk besluit dat de datakwaliteit risico’s afdoende beheerst zijn om invaren mogelijk te maken.
Maar bestaande situatie niet vergeten
Grote verandertrajecten zoals de overgang naar de Wtp leggen een groot beslag op de capaciteit bij bestuur, adviseurs en uitvoeringspartijen, zoals de Pensioensuitvoeringsorganisatie TKP (hierna: PUO). Hiermee is er een risico dat de bestaande bedrijfsvoering onvoldoende aandacht krijgt. Door vast te houden aan de bestaande evaluatiecyclus van beleidsdocumenten, wordt een adequate risicobeheersing van de going-concern situatie geborgd. Een overzicht staat in het Integraal Risicodashboard 2024Q4, welke als bijlage bij dit verslag dient.
Behaalde resultaten
In 2024 zijn o.a. de volgende zaken opgeleverd, die bijdragen aan het risicobeheer binnen het pensioenfonds.
- Beleidsmatig: periodieke evaluaties van risicobeleid, uitvoering van een crisisoefening en eerste opzet van risicobeleid onder Wtp;
- Uitvoerend: reguliere updates van risico-analyses;
- Monitoring: evaluatie van uitvoering beheersmaatregelen, verbeteringen in risicorapportages;
- IT-risico: Zijn er door het fonds in 2024 stappen gezet om compliant te worden met de aanstaande DORA-wetgeving, o.a. door het update van beleidsdocumenten;
- Uitbestedingsrisico:
- Regulier overleg met uitbestedingspartijen over o.a. de beheersing van (onder)uitbestedings- en IT-risico door kritieke uitbestedingspartijen.
Vooruitblik 2025: verdere voorbereiding op de toekomst
Voor 2025 ziet de Sleutelfunctie Risicomanagement:
Wtp – Van beleid naar implementatie en daaruit volgende risico’s
Een beoogde overgang naar het nieuwe pensioenstelsel per 1 januari 2026 betekent dat in 2025 het gekozen beleid moet worden geïmplementeerd in de systemen en processen van het pensioenfonds en de betrokken uitbestedingspartijen. Voor de SF RM ligt de nadruk daarbij vanuit risico-oogpunt beoordelen of de transitie, en de uitvoering na transitie afdoende beheerst kunnen worden. Daarnaast wordt het Risk Control Framework van het pensioenfonds geëvalueerd op passendheid na transitie en waar nodig aangepast.
In 2025 zal de druk op de implementatie van de Wtp naar verwachting verder toenemen. Dit vereist een intensieve(re) monitoring op de voortgang en risico’s bij uitbestedingspartijen. Daarom blijft de Sleutelfunctie Risicomanagement het hele jaar nauwgezet de ontwikkelingen rondom het project Wtp volgen en risico’s beheersen, o.a. via risico-opinies bij vergaderstukken Wtp periodieke updates van de risicoanalyse Wtp en toezien op naleving van de go/no go criteria.
Voorbereiding Samengaan
Sociale partners uit de Bakkerijsector en Zoetwarenindustie hebben een intentieovereenkomst gesloten om beide pensioenfondsen, in navolging van de transitie naar de Wtp te laten samengaan. Aan een dergelijk strategisch project zijn substantiële risico’s verbonden. Vanuit de RAC en Sleutelfunctie Risicomanagement worden risico’s in dit project geïnventariseerd en onder de aandacht van het bestuur gebracht, te beginnen met een (Risk Self Assessment (hierna: RSA) op dit project. Door de strategische impact van dit project, dient er ook een partiële Eigen Risicobeoordeling op het samengaan worden opgesteld.
Conclusie
Per einde 2024 acht de Sleutelfunctie Risicomanagement de risico’s binnen het pensioenfonds afdoende beheerst. De punten die eind 2024 als belangrijkste risico’s worden gezien, worden allen in 2025 verder opgepakt. Het is daarbij een aandachtspunt om de tijd en inspanning die geleverd wordt ten aanzien van de strategische projecten, niet ten koste te laten gaan van het reguliere risicobeheer.
Beleidsmatig zal de Sleutelfunctie Risicomanagement in 2025 de bestaande lijn voortzetten. Dat wil zeggen dat zij onafhankelijk, maar actief richting geeft aan het risicobeheer binnen het pensioenfonds, zowel op financiële als niet-financiële risico’s. In 2025 zal hierbij de nadruk liggen op de borging van een beheerste transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en beheerste uitvoering van de regeling na transitie. Dit laatste vertaalt zich naar een algehele update van het risicobeheersframework (beleid, risico-analyses, beheersmaatregelen en risicomonitoring) onder Wtp.
3.4 Interne Audit in 2024
Algemeen
De Interne Audit Functie (IAF) is verplicht volgens de Pensioenwet en FTK-regels. De heer M.W. van Straten is de sleutelfunctiehouder (SFH IA), en KPMG Advisory N.V. is de vervuller van de IAF.
In 2024 werkte de IAF nauw samen met de IAF van Bpf Zoetwaren, waarbij regelmatig overleg en afstemming plaatsvond. De activiteiten zoals opgenomen in het auditplan 2024 werden beperkt gerealiseerd, met drie uitgevoerde audits in het kader van de multicliënt audit TKP (MCA TKP). Een belangrijke geplande activiteit was de quickscan van de Digital Operational Resilience Act (DORA), die in Q1/2024 begon. De quickscan werd echter stopgezet omdat de gekozen insteek niet leidde tot een volledige 0-meting. Het bestuur heeft vervolgens in juli 2024 besloten om in Q2/2025 een review audit DORA uit te voeren om te toetsen of volledige implementatie van de DORA-wetgeving heeft plaatsgevonden. Daarnaast was in het auditplan 2024 een review audit van het uitbestedingsproces van de bestuursondersteuning opgenomen. Deze audit werd echter in juli 2024 door het bestuur uitgesteld naar 2025 vanwege de prioriteit van de transitie naar de Wet toekomst pensioenen (Wtp). De SFH IA was in 2024 betrokken bij diverse onderwerpen in het kader van de Wtp-transitie, waarbij voorlopige en definitieve opinies werden afgegeven inzake datakwaliteit, de risicoanalyse in het communicatieplan en de risicoanalyse in het implementatieplan.
De IAF voerde in 2024 auditactiviteiten uit in het kader van de MCA-TKP, waaronder audits op DORA readiness en interne beheersing bij TKP. De audit DORA readiness gaf inzicht in de gereedheid van TKP voor DORA en stelde daarbij vast of de geïdentificeerde gaps door TKP juist waren ingeschat en de actieplannen realistisch en voldoende concreet waren geformuleerd. De audit interne beheersing beoordeelde het interne beheersingssysteem van TKP en stelde daarbij vast of het interne beheersingssysteem afdoende is om in opzet en bestaan aantoonbaar in control te zijn. TKP gaf aan zich te kunnen vinden in de bevindingen en aanbevelingen van de audits.
Tenslotte is gedurende 2024 door MCA-TKP regelmatig met TKP van gedachten gewisseld over de inrichting van de Interne Audit Functie binnen TKP. Met de aanstelling van een lead auditor binnen TKP en het opstellen van een auditcharter, heeft TKP in 2024 gewerkt aan de verdere implementatie van het Three Lines Model. Gezien het belang dat MCA-TKP heeft bij het kunnen steunen op eigen audits van TKP, waarvoor betrokkenheid van MCA-TKP bij scoping en transparantie door TKP ten aanzien van het auditrapport randvoorwaarden zijn, zijn in 2024 diverse stappen gezet om tot een voor beide partijen werkbare situatie te komen. In 2025 zal hierover verder worden gesproken en zullen de eerste ervaringen met de nieuwe inrichting en werkwijze worden opgedaan.