Spring naar inhoud

Pensioenen

5.1 Communicatie

Communicatie
Hoewel de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel gepland staat op 1 januari 2026, hebben we in 2024 al veel voorbereid. De Communicatieadviescommissie stelde samen met een gespecialiseerde werkgroep een Wtp-communicatieplan op, als onderdeel van het implementatieplan. Dit plan is gebaseerd op de Leidraad van de AFM. De Wtp was bovendien een terugkerend onderwerp in nieuwsberichten, nieuwsbrieven en in een thematische editie van onze pensioenkrant Pensioenbericht.

Keuzebegeleiding
Het pensioenfonds hecht altijd al veel waarde aan ondersteuning bij pensioenkeuzes. Sinds juli 2023 is adequate keuzebegeleiding rondom pensionering wettelijk verplicht. In 2024 werkten we dit, samen met Pensioenfonds Zoetwaren, verder uit. We stelden gezamenlijk onze Zorgambitie Keuzebegeleiding vast.

In 2025 is er meer ruimte voor persoonlijke begeleiding via (video)gesprekken. Ook werkgevers worden actiever ondersteund via bijeenkomsten en communicatiemiddelen. Zo kunnen zij hun rol als eerste aanspreekpunt voor werknemers goed vervullen. De nieuwsbrieven zijn inhoudelijk relevanter gemaakt en worden vaker verstuurd.

Kritischer op campagnes
In 2024 bleek dat deelnemers meer behoefte hebben aan vaste, betrouwbare communicatie dan aan incidentele campagnes. De commissie is daarom kritischer geworden: alleen bewezen effectieve campagnes worden in 2025 voortgezet en meer toegespitst op de deelnemers van ons fonds. Ook bevatten enveloppen sinds 2024 een QR-code waarmee deelnemers eenvoudig kunnen overstappen naar digitale communicatie.

Vooruitblik 2025
De focus in 2025 ligt op de uitvoering en monitoring van het Wtp-communicatieplan. We volgen nauwgezet hoe alle groepen de transitie ervaren, zodat we tijdig kunnen bijsturen. Werkgevers worden steeds vooraf geïnformeerd over communicatie naar hun werknemers.

Ook starten we, samen met Pensioenfonds Zoetwaren, met het opstellen van een gezamenlijk strategisch communicatiebeleid. Daarnaast begint het traject voor branding en naamgeving van het toekomstige gezamenlijke fonds. Zo bereiden we ons zorgvuldig voor op het voorgenomen samengaan in 2026.

5.2 Uitvoeringskosten

Het pensioenfonds maakt voor het uitvoeren van de pensioenregeling diverse kosten. Deze worden onderverdeeld in kosten voor de pensioenuitvoering en kosten voor het vermogensbeheer. Het bestuur vindt het belangrijk transparant te zijn over deze kosten. De kosten worden gepresenteerd met inachtneming van de aanbevelingen van de Pensioenfederatie en AFM. Hieronder volgt een totaaloverzicht van de ratio’s zoals aanbevolen door de Pensioenfederatie.

  2024 2023
     
Uitvoeringskosten pensioenbeheer    
(in euro per deelnemer) € 152  € 153 
Uitvoeringskosten pensioenbeheer    
(in euro per deelnemer inclusief slapers) € 63  € 63 
     
Directe Vermogensbeheerkosten    
(als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) 0,19% 0,17%
Indirecte Vermogensbeheerkosten 0,29% 0,22%
(als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) (beleggingsfondsen/schatting)    
Totaal van directe en indirecte kosten vermogensbeheer 0,48% 0,39%
     
Transactiekosten 0,04% 0,06%
(als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) (schatting)    
Totaal kosten vermogensbeheer 0,52% 0,45%
     
Totaal kostenratio uitvoeringskosten en kosten vermogensbeheer als % van het gemiddeld belegd vermogen (exclusief transactiekosten) 0,69% 0,62%
     
(bedragen x € 1.000) 2024 2023
     
Pensioenuitvoeringskosten conform jaarrekening
(incl. algemene kosten)
11.105 10.778
Waarvan algemene kosten 3.878 3.896
Pensioenuitvoeringskosten excl. algemene kosten 7.227 6.882
     
Verdeelsleutel voor de algemene kosten:    
Pensioenbeheer 53,30% 57,60%
Vermogensbeheer 46,70% 42,40%
Derhalve:    
Algemene kosten toe te rekenen aan pensioenbeheer 2.068 2.245
Algemene kosten toe te rekenen aan vermogensbeheer 1.809 1.651
     
Kosten pensioenbeheer excl. algemene kosten 7.227 6.882
Toerekening algemene kosten 2.068 2.245
Totaal kosten pensioenbeheer na toerekening algemene kosten 9.295 9.127
/ Aantal actieven en gepensioneerden 61.001 59.482
= Uitvoeringskosten per deelnemer (in euro per deelnemer) 152 153
     
Kosten vermogensbeheer conform jaarrekening 6.323 5.059
Toerekening algemene kosten aan kosten vermogensbeheer 1.809 1.651
Kosten vermogensbeheer na toerekening algemene kosten 8.132 6.710
/ Gemiddeld belegd vermogen 4.300.556 3.969.361
= Directe vermogensbeheerkosten 0,19% 0,17%

De stijging van de indirecte vermogensbeheerkosten wordt deels verklaard door de vergoeding (performance fee) die de vermogensbeheerder ontvangt voor behaalde beleggingsresultaten. Daarnaast wordt dit deels verklaard door de behaalde rendementen op private equity.

Toerekening algemene kosten

De algemene kosten betreffen kosten die niet direct toegerekend kunnen worden aan de pensioenuitvoering of vermogensbeheer. Deze kosten betreffen kosten voor bestuur en commissies, externe adviseurs en toezichthouders. De algemene kosten worden verdeeld over pensioenuitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten. De verhouding van deze verdeling is het percentage van pensioenuitvoeringskosten ten opzichte van de vermogensbeheerkosten. Deze toerekening van kosten is niet in de jaarrekening van toepassing. In de jaarrekening worden al deze toegerekende kosten onder pensioenuitvoeringskosten verantwoord.

Uitvoeringskosten pensioenbeheer

Deze kosten betreffen de integrale kosten van pensioenuitvoering door TKP. Verder bestaan de kosten van pensioenbeheer uit communicatiekosten en toegerekende algemene kosten. De pensioenuitvoeringskosten worden gerapporteerd in euro’s per deelnemer, waarbij het aantal deelnemers de som is van het aantal actieve deelnemers en gepensioneerden. De onderstaande aantallen zijn hierbij gebruikt:

Deelnemersaantallen

Aantallen natuurlijke personen ultimo: 2024 2023
Actieven 35.636 34.857
Gepensioneerden 25.365 24.625
Slapers 85.650 85.680

Toelichting op de uitvoeringskosten per deelnemer

De uitvoeringskosten pensioenbeheer per deelnemer zijn ten opzichte van 2023 met € 1 gedaald. Hieraan liggen diverse oorzaken ten grondslag. 

De pensioenuitvoeringskosten liggen in 2024 met € 11.105 duizend hoger dan in 2023 toen het bedrag nog € 10.778 duizend was. In 2024 betroffen die kosten die werden gemaakt ter voorbereiding op de Wet toekomst pensioenen € 1.254 duizend (2023: € 1.549 duizend).

Dit betreft aanloopkosten in rekening gebracht door de pensioenuitvoerder voor ontwikkeling van het nieuwe IT-platform alsmede externe advieskosten voor het uitwerken van het implementatie- en het transitieplan. Deze kosten zijn niet structureel maar hebben wel invloed op de kosten per deelnemer. Indien deze kosten bij beide jaren buiten beschouwing worden gelaten, zouden de kosten per deelnemer in 2024 op € 141 en in 2023 op € 138 uitkomen. Dit is een stijging van € 3 per deelnemer. De verwachting is dat de pensioenuitvoeringskosten na de overgang op Wtp en het samengaan met Bpf Zoetwaren iets dalen.

De verhouding tussen de pensioenuitvoeringskosten en de kosten van vermogensbeheer ligt dit jaar lager dan vorig jaar. Deze verhouding bepaald de mate waarin algemene kosten doorbelast worden aan de kosten van vermogensbeheer. In 2024 is het percentage van de algemene kosten dat wordt toegerekend aan de uitvoeringskosten 53,3% (2023: 57,6%). Hierdoor worden naar verhouding minder kosten doorbelast aan de kosten van de pensioenuitvoeringskosten. Dit had een gunstig effect op de kosten per deelnemer.

Overige effecten hebben ook een dempend effect op de ontwikkeling van de kosten per deelnemer. De verhouding in deelnemersaantallen heeft juist een gunstig effect op de kosten per deelnemer. Ultimo 2024 is het totaal van actieve en gepensioneerde deelnemers met 2,6% toegenomen naar 61.001. Ultimo 2023 bedroeg het totaal 59.482 actieve en gepensioneerde deelnemers. Door deze toename wordt de stijging van de kosten per deelnemer met € 4 gedempt.

De uitvoeringskosten pensioenbeheer hangen tevens samen met het afgesproken serviceniveau. Het pensioenfonds biedt een volledig pakket diensten aan de deelnemers aan, inclusief de diensten van een pensioenplanner en van een pensioenconsulent.

Het pensioenfonds heeft in 2024 wederom deelgenomen aan het Bell benchmarkonderzoek. Dit onafhankelijke onderzoek geeft inzicht in de in 2023 gemaakte uitvoeringskosten en het gerealiseerd rendement, in vergelijking tot pensioenfondsen van gelijke omvang. Uit dit onderzoek onder 35 pensioenfondsen van vergelijkbare omvang blijkt dat in 2023 een gemiddelde (over de jaren 2021-2023) lieten zien van € 191 voor de uitvoeringskosten per deelnemer, waarbij 27 fondsen hogere kosten hadden en 7 fondsen lagere kosten. Het pensioenfonds heeft met over die jaren een gemiddelde van € 143 aan uitvoeringskosten per deelnemer. Dit niveau ligt ruim 25% onder het gemiddelde niveau van de fondsen met gelijke omvang. 

Oordeel bestuur over de pensioenuitvoeringskosten per deelnemer
Het bestuur streeft ernaar om de kosten per deelnemer laag te houden. In dit kader probeert het bestuur dat deze niet meer dan 0,5% per jaar stijgen. In 2024 zijn de kosten per deelnemer met € 1 afgenomen en ligt het resultaat binnen de ambitie om de kosten laag te houden. Ten opzichte van 2023 is het bedrag dat samenhing met de kosten voor de Wet toekomst pensioenen gedaald. In 2024 bedroegen deze € 1.254 duizend en in 2023 € 1.549 duizend. De daling dit jaar hangt tevens samen met de verhouding tussen kosten vermogensbeheer en uitvoeringskosten. Deze hebben een dempend effect in 2024. Voor de toekomst wordt overwogen een vaste verdeelsleutel te hanteren waarmee de vergelijkbaarheid tussen jaren van minder factoren afhankelijk wordt.

Uitvoeringskosten vermogensbeheer

De directe kosten vermogensbeheer worden gerapporteerd als percentage van het gemiddeld belegd vermogen. Het betreft die kosten waaraan een factuur ten grondslag ligt en waarvan de waarde aansluit bij de staat van baten en lasten van de jaarrekening. Voor de bepaling van het gemiddeld belegd vermogen zijn de aanbevelingen van de Pensioenfederatie gevolgd. 

De indirecte kosten vermogensbeheer worden weergegeven als percentage van het gemiddeld belegd vermogen.
De (geschatte) transactiekosten worden gerapporteerd als percentage van het gemiddeld belegd vermogen (conform aanbevelingen van de Pensioenfederatie). 

Indien werkelijke cijfers niet beschikbaar waren over de transactiekosten voor beleggingen in aandelenfondsen, is gewerkt volgens de aanbevelingen van de Pensioenfederatie.

De totale kosten vermogensbeheer bedroegen in 2024 € 20.453 duizend (2023: € 16.140 duizend).

Kosten vermogensbeheer (bedragen x € 1.000)          
2024 Beheer-
kosten
Performance gerelateerde kosten Transactie-
kosten
Overige vermogens-beheerkosten Totaal
Kosten per beleggingscategorie          
Vastgoed 1.804 0 0   1.804
Vastrentende waarden 5.169   159 741 6.069
Aandelen 8.008 2.284 18 261 10.571
Derivaten 165   503   668
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën 15.146 2.284 680 1.002 19.112
           
Overige vermogensbeheerkosten          
Kosten fiduciair beheer 1.021       1.021
Overige vermogensbeheer 320     0 320
Totaal overige kosten vermogensbeheer 1.341     0 1.341
           
Totaal kosten vermogensbeheer 16.487 2.284 680 1.002 20.453
Kosten vermogensbeheer (bedragen x € 1.000)          
2023 Beheer-
kosten
Performance gerelateerde kosten Transactie-
kosten
Overige vermogens-beheerkosten Totaal
Kosten per beleggingscategorie          
Vastgoed 1.737 108 0   1.845
Vastrentende waarden 5.041   233 683 5.957
Aandelen 7.443 -1.317 9 366 6.501
Derivaten 222   895   1.117
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën 14.443 -1.209 1.137 1.049 15.420
           
Overige vermogensbeheerkosten          
Kosten fiduciair beheer 1.455       1.455
Overige vermogensbeheer       -735 -735
Totaal overige kosten vermogensbeheer 1.455     -735 720
           
Totaal kosten vermogensbeheer 15.898 -1.209 1.137 314 16.140

Toelichting op de totale kosten vermogensbeheer

De toename van de totale kosten vermogensbeheer (zowel direct als indirect) naar € 20.453 duizend (2023: € 16.140 duizend) wordt voornamelijk veroorzaakt doordat er in 2024 sprake was van performance gerelateerde kosten van € 2.284 duizend ten opzichte van € -1.209 duizend in 2023. De beheerkosten vallen tevens hoger uit met € 16.487 duizend ten opzichte van € 15.898 duizend in 2023. Ook de overige vermogensbeheerkosten lieten een toename zien van € 688 duizend. De oorzaak hiervan is dat een aanzienlijk deel van de vermogensbeheerkosten bepaald wordt als een percentage van het belegd vermogen. Door het positieve rendement is het vermogen toegenomen. Daarmee nemen ook de kosten voor het vermogensbeheer toe. 

Uit het onafhankelijk Bell-benchmarkonderzoek blijkt dat de vermogensbeheerkosten over 2023 (het rapport gaat over het voorgaande jaar) bij het fonds naar verhouding lager liggen dan bij pensioenfondsen van een vergelijkbare omvang. Het rendement in 2023 lag bij de pensioenfondsen met een vergelijkbare omvang op 8,7%. Het pensioenfonds realiseerde vorig jaar een rendement van 8,8%. Bij het overrendement (het rendement ten opzichte van een door het pensioenfonds gekozen benchmark) zien we een tegengesteld effect. Dat bedroeg bij het pensioenfonds -1,28% en bij vergelijkbare fondsen -1,04%. Daarnaast lagen de totale kosten voor vermogensbeheer bij het pensioenfonds met 0,45% lager dan bij de overige pensioenfondsen waar de totale kosten voor vermogensbeheer 0,52% bedroegen. 

Oordeel  bestuur over de kosten van vermogensbeheer 
Het bestuur streeft ernaar om de kosten per deelnemer laag te houden. In dit kader probeert het bestuur dat deze niet meer dan 0,5% per jaar stijgen. In 2024 zijn de kosten per deelnemer met € 1 afgenomen en ligt het resultaat binnen de ambitie om de kosten laag te houden. Ten opzichte van 2023 is het bedrag dat samenhing met de kosten voor de Wet toekomst pensioenen gedaald. In 2024 bedroegen deze € 1.254 duizend en in 2023 € 1.549 duizend. De daling dit jaar hangt tevens samen met de verhouding tussen kosten vermogensbeheer en uitvoeringskosten. Deze hebben een dempend effect in 2024. Voor de toekomst wordt overwogen een vaste verdeelsleutel te hanteren waarmee de vergelijkbaarheid tussen jaren van minder factoren afhankelijk wordt.

Totale kostenratio
De Pensioenfederatie beveelt aan om, naast de bestaande (wettelijke) kengetallen met betrekking tot de uitvoeringskosten, een zogenaamde “totale kostenratio” op te nemen in het jaarverslag. Dit geeft een totaalinzicht in alle kosten van het beheer van een pensioenfonds, exclusief transactiekosten, als percentage van het belegd vermogen. Hiermee wordt duidelijk welke impact deze kosten hebben op het opgebouwde (pensioen)vermogen. Het kengetal dient als aanvullende, maar tevens belangrijkste graadmeter voor de beoordeling van de kosten van het pensioenfonds. Het percentage heeft het fonds conform de aanbevelingen van de Pensioenfederatie opgenomen. In 2024 bedroeg de totaal kostenratio 0,69% terwijl dit in 2023 0,62% was. De toename wordt veroorzaakt doordat  in 2024 de kosten van vermogensbeheer hoger zijn dan in 2023.  Het belegd vermogen is in 2024 hoger dan in 2023 echter de kosten stegen relatief meer. Hierdoor nam de kostenratio toe. 

Oordeel bestuur over de totale kostenratio
De totale kostenratio wordt in 2024 beïnvloed door de toename in de kosten van vermogensbeheer. In 2024 waren de kosten voor de Wet Toekomst Pensioenen bepalend.

Hoewel het bestuur deze uitkomst acceptabel acht (en deze beduidend lager is dan in het commerciële verkeer van banken, vermogensbeheerders en verzekeraars), streeft het bestuur naar een beheersing van de kostenstijging en een competitief kostenniveau ten opzichte van vergelijkbare pensioenfondsen door verdere samenwerking te zoeken met andere pensioenfondsen en door de het voorgenomen samengaan met Bpf Zoetwaren.

Kosten per beleggingscategorie in basispunten van het gemiddeld belegd vermogen
Assetcategorie 2024 2023
Vastgoed 4 5
Vastrentende waarden 14 15
Aandelen 25 16
Derivaten 2 3
Overig 3 2
     
Totaal 48 41

5.3 Pensioenregeling

Pensioenregeling
De inhoud van de pensioenregeling vloeit voort uit het overleg tussen cao-partijen. De belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling zijn:

Pensioenregeling 2024

Pensioensysteem Uitkeringsovereenkomst in de vorm van een middelloonregeling. De pensioenuitkering is gebaseerd op het salaris dat gemiddeld verdiend is tijdens de deelnemingsperiode.
Pensioenleeftijd Pensioenleeftijd 68 jaar.
Toetredingsleeftijd Een werknemer die in dienst is bij een werkgever die is aangesloten bij het Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf neemt verplicht deel aan de pensioenregeling. De deelname gaat in op de eerste dag van de maand waarin de werknemer 18 jaar wordt.
Pensioengevend salaris Het voor de werknemer geldende loon in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen in het boekjaar.
Grenssalaris Het maximum in aanmerking te nemen pensioensalaris. Het grenssalaris is € 69.600,-;
Excedentsalaris Het excedentsalaris is fiscaal gemaximeerd op € 137.800,-.
Franchise Het franchisebedrag bedraagt € 17.545,-
Opbouwpercentage middelloon ouderdomspensioen 1,60% van de pensioengrondslag.
Opbouwpercentage excedentregeling ouderdomspensioen 1,875% van het excedentdeel.
Nabestaandenpensioen Het nabestaandenpensioen (op opbouwbasis) bedraagt maximaal 70% van het te behalen ouderdomspensioen.
Wezenpensioen Het wezenpensioen bedraagt voor elk kind 14% van het te behalen ouderdomspensioen en wordt uitgekeerd tot 18 jaar. Indien het kind na zijn 18e verjaardag een dagopleiding volgt aan een mbo-, een hbo- of een universitaire instelling of een daarmee (naar het oordeel van het Bestuur) gelijk te stellen opleiding, dan wordt het wezenpensioen uitgekeerd zolang de opleiding wordt gevolgd. In ieder geval zal het wezenpensioen niet langer worden uitgekeerd dan tot het einde van de maand waarin het kind zijn 27e verjaardag bereikt. Als beide ouders overlijden, wordt het wezenpensioen verdubbeld tot 28% van het jaarlijkse ouderdomspensioen.
Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid Bij arbeidsongeschiktheid volgens de WIA- of WAO wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. De financiering van de voortzetting van pensioenopbouw komt voor rekening van het pensioenfonds.
Toeslagverlening Als de middelen van het pensioenfonds het toelaten, kan het Bestuur de ingegane pensioenen, de premievrije aanspraken van gewezen deelnemers en de opgebouwde aanspraken van actieve deelnemers aanpassen. De toeslagverlening is voorwaardelijk. Er is geen recht op toeslagverlening en het is op de langere termijn niet zeker of en in hoeverre toeslagverlening zal plaatsvinden. Voor de voorwaardelijke toeslagverlening is geen reserve gevormd. Deze wordt gefinancierd uit de beleggingsrendementen.
Financiering De deelnemersbijdrage in de pensioenregeling is in de cao voor het Bakkersbedrijf opgenomen. De bijdrage van de onderneming wordt geregeld in de uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds.
Flexibele elementen De pensioenregeling heeft een aantal flexibele elementen:
  Flexibele ingangsdatum 55-70 jaar;
  Flexibele aanwendingmogelijkheden, hoog-laagconstructie;
  Uitruilen ouderdomspensioen in partnerpensioen en omgekeerd.
  Het bestuur is bevoegd de flexibiliseringsfactoren periodiek aan te passen op advies van de actuaris.

Aanpassing pensioenregeling per 1 januari 2024

Het opbouwpercentage voor de ‘basisregeling’ is verhoogd van 1,35% naar 1,60%.

Excedentregeling
Het pensioenfonds kent een aanvullend reglement excedentvoorziening die door middel van actuariële premie wordt gefinancierd. De grondslagen voor de vaststelling van de voorziening zijn gelijk aan de grondslagen van de basisregeling. Voor de excedentregeling is vanaf 2022 besloten om een premie te hanteren die minimaal kostendekkend is. Dit komt overeen met een minimale premiedekkingsgraad van 100%. Indien een beleidsdekkingsgraad onder de 100% uitkomt, is de premiedekkingsgraad in de excedentregeling dan tenminste 100%. Bij een beleidsdekkingsgraad van b.v. 110% is de solvabiliteitsopslag 10% zodanig dat de premiedekkingsgraad ook 110% bedraagt. Aanvullend is vastgesteld dat de solvabiliteitsopslag niet negatief/minder dan 0% mag zijn. Hiermee wordt beoogd de regeling niet onnodig uit de markt te prijzen.

Vrijwillige aansluiting
Deze regeling is van toepassing op bedrijven die niet direct onder de werkingssfeer van het pensioenfonds vallen, maar qua karakter van het bedrijf en de aard van de werkzaamheden wel “branche-specifiek” genoemd kunnen worden. Op grond van deze regeling worden pensioenaanspraken geadministreerd overeenkomstig de basisregeling van het pensioenfonds. 

Voor de benodigde premie worden de fondsgrondslagen toegepast, de verschuldigde premie is gelijk aan de doorsneepremie van de basisregeling.

Enkele bijzondere aspecten
Het pensioenfonds kent een regeling voor vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw na beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of ingang ouderdomspensioen.
De cao voor het Bakkersbedrijf kent vanaf 1 januari 2016 een vitaliteitsregeling waarbij de in aanmerking komende deelnemer 80% werkt, 90% salaris ontvangt en 100% pensioenopbouw verkrijgt over de periode van de vitaliteitsregeling. Het pensioenfonds regelt hierbij de 100% voortzetting van pensioenopbouw van de betreffende deelnemer. 

Toeslagverlening
Het toeslagbeleid dient op grond van de Pensioenwet toekomstbestendig te zijn. Dit betekent dat niet meer toeslag wordt verleend dan in de toekomst te realiseren is. Voor het bepalen van het toeslagpercentage wordt onderstaande toeslagstaffel gehanteerd:

Beleidsdekkingsgraad Toeslagverlening
< 110% Geen toeslagverlening.
Tussen 110% en toeslagverleningsdekkingsgraad* (%) Gedeeltelijke toekomstbestendige toeslagverlening.
> Toeslagverleningsdekkings-graad (%) Volledige toeslagverlening.
Wanneer er na het verlenen van toeslagen een overschot is (vermogen boven dekkingsgraad gelijk aan de toeslagverleningsdekkingsgraad) mag dit overschot binnen de fiscale grenzen voor 1/5e deel worden aangewend om gemiste toeslagen in te halen en eventuele kortingen uit het verleden goed te maken.

In 2024 heeft het bestuur gebruik gemaakt van verruimde toeslagregels. Dit is reeds uitvoerig in paragraaf 3.2.1 beschreven.

5.4 Nieuwe wetgeving

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste externe ontwikkelingen voor de komende periode besproken die van invloed kunnen zijn op het beleid van het pensioenfonds.

Wet toekomst pensioenen
De inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) op 1 juli 2023 heeft er nog niet toe geleid dat pensioenfondsen al massaal zijn overgestapt op een nieuwe Wtp-pensioenregeling. Op 1 januari 2025 hebben nog slechts drie fondsen die stap gemaakt. In de loop van 2025 en vooral per 1 januari 2026 zullen meer pensioenfondsen de overstap maken naar een nieuwe regeling, doorgaans een solidaire premieregeling (SPR), en daarbij de bestaande aanspraken en rechten invaren.
Alle fondsen moeten in 2025 het transitieplan (op 1 januari) en het implementatieplan (op 1 juli) gereed hebben als zij vóór 1 juli 2026 overgaan naar het nieuwe pensioenstelsel. Die datum kan voor het implementatieplan nog wijzigen, omdat er wordt gesproken over een koppeling van die datum aan de voorgenomen datum van overgang naar de nieuwe pensioenregeling en van invaren. Dit moet de wetgever echter eerst nog in de wet vastleggen.
In de Pensioenwet wil de regering ook de mogelijkheid opnemen dat de uiterste transitiedatum van nu nog 1 januari 2027 door een besluit van de minister van SZW wordt opgeschoven. In eerste instantie zal die datum naar 1 januari 2028 gaan; daar gaat de sector nu al van uit. Die datum zou zo nodig, als het nieuwe pensioenstelsel toch nóg lastiger uitvoerbaar blijkt dan nu al gedacht, verder kunnen opschuiven.

Details nieuwe pensioenregeling
Sociale partners geven in hun transitieplan niet meer dan de hoofdlijnen van de nieuwe pensioenregeling aan: hoogte van de premie en de omvang van bepaalde (risico)dekkingen. Verder staan daarin zaken als de wijze waarop bij de overgang wordt omgegaan met de opgebouwde aanspraken en rechten, omvang, doel en wijze van vullen van de solidariteitsreserve en de wijze waarop compensatie wordt verleend aan de groep belanghebbenden die nadeel ondervinden van de overgang van een gelijkblijvende pensioenopbouw naar een gelijkblijvende premie.
Een pensioenreglement bevat een grote hoeveelheid details die in een transitieplan niet aan bod komen. Dit zijn bijvoorbeeld uitvoeringsdetails over zaken als risicodekkingen tijdens en na de deelnameperiode, de keuzemogelijkheden bij pensioeningang en een verdere uitwerking van de overgangsbepalingen. Hierover zal in de praktijk het fondsbestuur moeten besluiten, zo nodig in afstemming met sociale partners.
Hoe dan ook zullen de details van de nieuwe pensioenregeling tot stand komen in overleg met de uitvoeringsorganisatie. Die heeft voor de nieuwe pensioenregelingen een nieuw administratiesysteem gebouwd; de keuzes van het fonds moeten daarin passen. Zo niet, dan kan de pensioenregeling worden bijgesteld of kan de uitvoeringsorganisatie concessies doen en in het administratiesysteem alsnog de opties opnemen die de klant noodzakelijk acht.

Aanpassingen in wet- en regelgeving
In de loop van 2024 is er meer duidelijkheid gekomen over enkele belangrijke onderdelen van de SPR, zoals over de invulling van de collectieve uitkeringsfase en de wijze waarop persoonlijke kapitalen van bestaande premieregelingen met gebruik van de standaardmethode kunnen worden omgezet naar de nieuwe premieregelingen. Voor de nadere invulling van het uniforme kindbegrip en enkele andere aanpassingen in de Pensioenwet wordt in 2025 een wetsvoorstel ingediend. Drie technische fiscale knelpunten met betrekking tot het invaren van prepensioenen, tijdelijke overbruggingspensioenen en wezenpensioenen worden opgelost, zodat deze uitkeringen niet hoeven te worden omgevormd bij invaren.
Het ligt in de verwachting dat de wet- en regelgeving zoals die per 1 januari 2025 luidt, meermalen zal worden aangepast. Dagelijks ontstaan er bij de uitvoeringsorganisaties en pensioenfondsen nieuwe vragen die door wetten en regels niet worden beantwoord. Logisch dat bij de huidige revolutie in pensioenland het enige tijd duurt voordat het wettelijk kader een goed werkend geheel vormt. 

DORA
DORA is een Europese verordening die tot doel heeft de digitale weerbaarheid van financiële instellingen te versterken. DORA stelt uniforme regels vast voor het beheersen van ICT-risico’s binnen de gehele financiële sector, waaronder ook pensioenfondsen vallen.De verordening verplicht instellingen om aantoonbaar voorbereid te zijn op ICT-gerelateerde incidenten, zoals cyberaanvallen, systeemstoringen of datalekken.Dit gebeurt via vijf kernpijlers:

  • ICT-risicomanagement;
  • Operationele weerbaarheidstesten;
  • Incidentrapportage;
  • Beheer van risico’s bij uitbesteding aan derde partijen;
  • Informatie-uitwisseling over cyberdreigingen.

 DORA is officieel in werking getreden op 17 januari 2023. Vanaf dat moment kregen financiële instellingen, waaronder pensioenfondsen, twee jaar de tijd om aan de vereisten te voldoen. Dat betekent dat vanaf 17 januari 2025 alle betrokken partijen compliant moeten zijn met de verordening.Voor pensioenfondsen betekent DORA dat zij:

  • ICT-risico’s structureel moeten beheersen, ook als zij veel processen uitbesteden aan externe partijen zoals pensioenuitvoerders of vermogensbeheerders.
  • Verantwoordelijk blijven voor de naleving van DORA, ook als de uitvoering bij derden ligt.
  • Contractuele afspraken moeten maken met ICT-dienstverleners over digitale weerbaarheid.
  • Incidenten moeten melden aan toezichthouders zoals De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
  • Een informatieregister moeten bijhouden van alle ICT-diensten en -leveranciers.

 De Pensioenfederatie ondersteunt pensioenfondsen bij de implementatie van DORA, onder andere met handreikingen, templates en sectorbrede interpretaties.

Wetsvoorstel Wet pensioenverdeling bij scheiding
De Wet pensioenverdeling bij scheiding (Wps) zou vanaf 2021 de opvolger moeten worden van de huidige Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Al vrij snel werd de inwerkintreding uitgesteld naar de einddatum van de transitieperiode van de Wet toekomst pensioenen. Die datum is inmiddels voorzien voor 1 januari 2028.
In de tussentijd wilde de regering enkele maatregelen nemen die de positie van de ex-partners bij de verdeling van pensioen bij scheiding zouden moeten verbeteren. De termijn voor het indienen van het Mededelingsformulier zou verlengd worden van twee naar vijf jaar. De gevolgen van de scheiding voor het pensioen van de deelnemer en de ex-partner zouden op Mijn Pensioenoverzicht vermeld moeten worden. De invoering van deze maatregelen is uitgesteld. De internetconsultatie voor deze wijziging zal volgens de minister van SZW pas begin 2026 plaatsvinden. Als de wet in 2028 in werking moet treden, is er erg weinig tijd om die tussentijdse wijzigingen van enige betekenis te laten zijn.

Aanpak schijnzelfstandigheid
In 2023 heeft minister Van Gennip van het Ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid het wetsvoorstel ‘Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’ (VBAR) ter consultatie voorgelegd. Het wetsvoorstel moet schijnzelfstandigheid tegengaan. In november 2024 heeft de Raad van State zijn advies aan de regering gegeven, waarin de Raad op onderdelen kritische opmerkingen maakt. Begin 2025 was het wetsvoorstel nog niet aan de Tweede Kamer aangeboden. Een verwachte datum van inwerkingtreding is ook nog niet bekend. In het wetvoorstel wordt de rechtspraak over de beoordeling van arbeidsrelaties verwerkt tot een hanteerbaar juridisch toetsingskader. Dit kader toetst de manier waarop een werkende werkzaam is. Als de werkzaamheden werkinhoudelijk door de werkgever worden aangestuurd dan wel de werkzaamheden zijn ingebed in de organisatie van de werkgever, en daarnaast de werkzaamheden niet voor eigen rekening en risico worden verricht, is er sprake van arbeid in dienst van een werkgever. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel een rechtsvermoeden: als een werkende arbeid verricht tegen een uurtarief dat lager is dan een jaarlijks vast te stellen grensbedrag (voorlopig vastgesteld op € 33,-) wordt vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het is aan de werkgever om aan te tonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Met name door dit rechtsvermoeden zal het voor een schijnzelfstandige veel eenvoudiger zijn om als werknemer aangemerkt te kunnen worden dan op dit moment.

Controle door de Belastingdienst
De Belastingdienst controleert vanaf 2025 voor het eerst sinds langere tijd weer bij werkgevers op het bestaan van arbeidsrelaties die moeten worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, terwijl partijen de indruk hebben willen wekken dat er sprake was van een relatie tussen opdrachtgever en zelfstandige. Deze handhaving vindt plaats op basis van de bestaande wetgeving, de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA). De fiscus zal bij de controles, afgezien van duidelijke gevallen van misbruik, geen oordeel vellen over de jaren voor 2025 en ook niet direct boetes opleggen. De handhaving richt zich op het stimuleren van het aangaan van een arbeidsrelatie die past bij de werkelijke verhouding tussen de werkgever en degene die voor hem werkzaamheden verricht.

Gevolgen voor pensioenfondsen
De komende wetgeving en de hervatte controles van de Belastingdienst kunnen ervoor zorgen dat arbeidsrelaties van schijnzelfstandigen sneller en vaker als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt. Gevolg daarvan is dat deze werknemers – mogelijk in grote aantallen – toekenning van pensioen claimen over de periode dat zij als schijnzelfstandige werkzaam waren. Het idee van de Pensioenfederatie om via wetgeving te voorkomen dat zulke claims ook succesvol kunnen zijn over de periode vóór inwerkingtreding van de Wet VBAR, zal het waarschijnlijk niet halen. Verder wil de Pensioenfederatie dat een voormalige schijnzelfstandige pas pensioen gaat opbouwen als hij een arbeidsovereenkomst heeft en dat pas na invoering van de Wet VBAR. Het is de vraag of de wetgever de pensioenfondsen tegemoet zal komen.
Sommige pensioenfondsen hebben zelf maatregelen genomen en hun pensioen- en uitvoeringsreglement aangevuld met extra voorwaarden voor (voormalige) schijnzelfstandigen. Dit moet ervoor zorgen dat pensioenclaims over de periode voordat duidelijk is geworden dat er sprake is van schijnzelfstandigheid, geen kans van slagen hebben. Of dit voor de rechter houdbaar zal zijn, is vraag. Er mag de komende jaren nieuwe rechtspraak worden verwacht over het beginsel ‘geen premie, wel recht’, dat geldt voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (bpf). Blijken de bedoelde claims wel succesvol, dan moet een verplichtgesteld bpf pensioenaanspraken of –rechten toekennen. Als de pensioenpremie niet bij de werkgever kan worden geïncasseerd, komen de kosten van de claim ten laste van het collectief. Dat gaat nu nog ten koste van de dekkingsgraad, maar zal na overgang naar een SPR ten laste van de operationele reserve komen.

Vervolg
De beoogde inwerkingtredingsdatum van het wetvoorstel was 1 juli 2025. Deze datum zal niet worden gehaald. De wet treft maatschappelijk en politiek gevoelige onderwerpen, wat ertoe kan leiden dat de invoering pas in de loop van 2026 plaatsvindt.

Wetsvoorstel bedrag ineens
De Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen is in 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Het onderdeel ‘bedrag ineens’ is echter niet in werking getreden, in afwachting van een wijziging waar de Eerste Kamer om heeft gevraagd. Deze Kamer wilde het mogelijk maken de betaling van het bedrag ineens uit te stellen tot januari van het jaar na het jaar waarin de deelnemer AOW-gerechtigd wordt. De Tweede Kamer heeft op 8 oktober 2024 ingestemd met het herziene wetsvoorstel, dat begin 2025 ter behandeling bij de Eerste Kamer ligt. Ook deze Kamer zal naar verwachting instemmen.
De (gewezen) deelnemer krijgt dan bij ingang van zijn ouderdomspensioen de mogelijkheid 10% van de waarde van zijn aanspraken op ouderdomspensioen ineens te ontvangen. De pensioenuitvoerder moet daaraan meewerken. De voorgenomen datum van inwerkingtreding is al diverse malen uitgesteld. Gezien de voorbereidingstijd die pensioenuitvoerders denken nodig te hebben, zal de wet mogelijk pas op 1 juli 2026 ingaan. 

5.5 Goed omgaan met klachten

In 2023 is een nieuwe gedragslijn van kracht geworden als het gaat om omgaan met klachten en het afleggen van verantwoording hierover. De wettelijke definitie van een klacht zoals opgenomen in de Wet toekomst pensioenen: “elke uiting van ontevredenheid van een persoon, gericht aan de pensioenuitvoerder, wordt beschouwd als een klacht.”

Deze uitgebreidere definitie, want ook een deelnemer die in een telefoongesprek aangeeft ‘niet zo blij te zijn’ valt hier onder, heeft behoorlijk veel impact op de wijze waarop onze pensioenuitvoerder TKP klachten registreert en rapporteert. Vanaf medio 2024 worden alle klantsignalen direct geregistreerd, ongeacht of deze schriftelijk of mondeling zijn geuit.
Voor de eerste helft van 2024 geldt dat de PUO met terugwerkende kracht veel klantsignalen alsnog heeft kunnen registreren, maar we realiseren ons dat dit mogelijk niet helemaal volledig zal zijn.

Hoewel we als pensioenfonds ruim voldoende scoren ten aanzien van de gedragslijn ‘Goed omgaan met klachten’, realiseert het bestuur dat we in dit kader ‘op weg zijn naar volwassenheid’. Ten opzichte van voorgaande jaren is steeds sprake van verbetering van de dienstverlening, waarbij we nog net niet op de gewenste norm zitten. In 2025 zal samen met de PUO verder ingezet worden op verbetering van de dienstverlening. Onder meer is in dit kader een feedbackmanager aangesteld bij de PUO die hierin een belangrijke rol zal gaan spelen.

Om de dienstverlening aan deelnemers voortdurend te verbeteren, hanteren we een gestructureerde en geïntegreerde aanpak. Hierbij staat de klantbeleving centraal: de manier waarop deelnemers alle interacties ervaren gedurende de volledige klantreis en via alle kanalen. Klachten van deelnemers vormen een belangrijke bron van data die we daarvoor gebruiken. Het doel van deze klachtenanalyse is om continu te verbeteren en de dienstverlening te optimaliseren. Door klachten systematisch te onderzoeken, verkrijgen we inzicht in knelpunten en mogelijke verbeterkansen.

De over 2024 geregistreerde klachten zijn als volgt te categoriseren:

Rubriek Gedragslijn Aantal klachten Geëscaleerde klachten Geschillen
Service en klantgerichtheid 1 0 0
Behandelingsduur 0 0 0
Informatieverstrekking 16 0 0
Deelnemersportaal 7 0 0
Keuzebegeleiding 10 0 0
Pensioenberekening en -betaling 225 7 0
Registratie werknemersgegevens/datakwaliteit 23 0 0
Toepassing wet- en regelgeving: algemeen 48 0 0
Toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie 1 0 0
Financiële situatie 4 0 0
Duurzaamheid 1 0 0
Overig 3 0 0
Totaal 339 7 0

Onze pensioenuitvoeringsorganisatie TKP heeft inmiddels een programma ‘feedback’ voor medewerkers met deelnemerscontacten uitgerold en een framework opgesteld voor het vertalen van data naar concrete verbetervoorstellen. Eén van de eerste conclusies was dat veel deelnemers documentatie (o.a. de jaaropgave) niet goed kunnen vinden in het deelnemersportaal. Door de inrichting daarvan te veranderen, hebben we direct resultaat geboekt.

De eerste analyse van veelvoorkomende klantsignalen heeft als eerste opgeleverd met bijbehorende verbeteracties:

Ouderdomspensioen aanvragen
De klachten die de deelnemers indienen, betreffen voornamelijk administratieve complicaties, onduidelijkheden over procedures en communicatie, en ontevredenheid over de vereisten voor het ontvangen van pensioen. Veel deelnemers vinden de processen onnodig complex, zoals het verstrekken van bankgegevens of het invullen van formulieren, en ze ervaren frustratie door miscommunicatie en vertragingen.

Als mogelijke verbeteracties zijn onderkend:

  • Verbeter gebruiksvriendelijkheid: Vereenvoudig het aanvraagproces en minimaliseer de vereiste documenten zoals kopie bankpas of BSN. 
  • Verbeter communicatie: Zorg voor duidelijke instructies en tijdige reacties, zodat deelnemers geen verwarring of frustratie ervaren bij aanvragen en wijzigingen.